26 september 2017
Strafkamer
nr. S 16/03598
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 februari 2016, nummer 22/000196-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.V. Hendriksen, advocaat te Leiden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het middel
Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Den Haag van 1 juli 2015 bevestigd. Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1 primair "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" en 2 subsidiair "aan hem als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, te wijten zijn, dat de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
"6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is betrokken geweest bij oplichting. Verdachte heeft zich laten inschrijven als bestuurder van een onderneming, terwijl anderen op naam van die onderneming op grote schaal goederen hebben besteld bij bedrijven zonder deze te betalen, terwijl de goederen ondertussen werden doorverkocht. Verdachte was hiervan op de hoogte. Het handelsverkeer, waarin bedrijven in vertrouwen met elkaar zaken dienen te kunnen doen, is mede door verdachte geschaad.
Voorts is verdachte betrokken geweest bij een eenvoudige bankbreuk. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij als (indirect) bestuurder van een onderneming heeft nagelaten erop toe te zien dat na het faillissement van deze onderneming de volledige administratie aan de curator ter beschikking werd gesteld, waardoor de schuldeisers van deze onderneming ernstig zijn benadeeld. Immers heeft verdachte op deze wijze het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen en zijn schuldeisers (voor zover mogelijk) schadeloos te stellen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiƫle documentatie d.d. 10 juni 2014, waaruit blijkt dat hij meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ondergeschikte rol die verdachte bij de oplichting heeft gespeeld, een iets lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden is."
Deze overwegingen bevatten, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid
De klacht is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de andere klacht geen behandeling behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2017.