“6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
6.2 Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Hierbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is betrokken geweest bij oplichting. Verdachte heeft zich laten inschrijven als bestuurder van een onderneming, terwijl anderen op naam van die onderneming op grote schaal goederen hebben besteld bij bedrijven zonder deze te betalen, terwijl de goederen ondertussen werden doorverkocht. Verdachte was hiervan op de hoogte. Het handelsverkeer, waarin bedrijven in vertrouwen met elkaar zaken dienen te kunnen doen, is mede door verdachte geschaad.
Voorts is verdachte betrokken geweest bij een eenvoudige bankbreuk. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij als (indirect) bestuurder van een onderneming heeft nagelaten erop toe te zien dat na het faillissement van deze onderneming de volledige administratie aan de curator ter beschikking werd gesteld, waardoor de schuldeisers van deze onderneming ernstig zijn benadeeld. Immers heeft verdachte op deze wijze het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op juiste wijze af te wikkelen en zijn schuldeisers (voor zover mogelijk) schadeloos te stellen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 juni 2014, waaruit blijkt dat hij meermalen voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ondergeschikte rol die verdachte bij de oplichting heeft gespeeld, een iets lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd passend en geboden is.”
7. Zoals blijkt uit de toelichting, bevat het middel onder meer de klacht het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv geen opgave van de redenen heeft gegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
8. Ingevolge art. 359, zesde lid, eerste volzin, Sv, in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv, dient het hof bij de oplegging van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid. Aan dit vereiste is voldaan indien in de strafmotivering tot uitdrukking is gebracht dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
9. Bij wet van 31 maart 1983 tot herziening van bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet op de economische delicten en enkele andere wetten in verband met de oplegging van vermogenssancties (Wet vermogenssancties; Stb. 1983, 153) is het zesde lid toegevoegd aan art. 359 Sv teneinde de (korte) vrijheidsstraf terug te dringen ten gunste van de geldboete. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt ten aanzien van deze motiveringsverplichting het volgende in:
"Evenals het zesde lid vormt het zevende lid een uitwerking van de gedachte dat juist vrijheidsstraffen en enkele voor de veroordeelde als zeer belastend te beschouwen bijkomende straffen aan hoge eisen van motivering moeten voldoen. Worden dergelijke straffen geheel of gedeeltelijk onvoorwaardelijk opgelegd, dan moet worden gemotiveerd waarom niet met een voorwaardelijke straf kon worden volstaan. (...) De leden 6 en 7 vormen een signaal van de wetgever dat de nadruk op vermogensstraffen behoort te vallen. Acht de rechter desondanks een vrijheidsstraf (dan wel ontzettings- of ontzeggingsstraf) op zijn plaats, dan dient hij zo duidelijk mogelijk te maken op welke gronden die overtuiging steunt."
10. De memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel houdt dienaangaande nog het volgende in:
"De in de nota van wijzigingen voorgestelde tekst van artikel 359, zesde lid, strekt ertoe de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf steeds tot een punt van aparte en nadere afweging door de rechter te maken."
11. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt het voornoemde vereiste aldus ingevuld dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat het hof onder ogen heeft gezien dat het een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een zodanige sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen.
12. De hiervoor onder 6 weergegeven strafmotivering bevat, in strijd met art. 359, zesde lid, Sv, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het hof heeft in zijn overwegingen immers niet uitdrukkelijk doen blijken dat alleen een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf te dezen passend en geboden is en aldus niet in overeenstemming met art. 359, zesde lid, Sv in het bijzonder de redenen opgegeven die de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden hebben bepaald. De enkele overweging dat gelet op de ondergeschikte rol die de verdachte bij de oplichting heeft gespeeld een iets lagere straf dan gevorderd passend en geboden is, terwijl de gevorderde gevangenisstraf elders in de strafmotivering is weergegeven, is daartoe ontoereikend. Aldus heeft het hof immers niet de redenen opgegeven die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid.
13. Voor zover het middel klaagt over de schending van art. 359, zesde lid, Sv, is het middel terecht voorgesteld. Dat betekent dat de andere in het middel vervatte strafmotiveringsklacht buiten bespreking kan blijven.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG