5 oktober 2018
Eerste Kamer
18/01679
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 16/02831 van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76;
b. zijn arrest in de zaak 17/04689 van 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90;
c. het arrest in de zaak 200.234.792 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 april 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het derde geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 5 oktober 2018.