ECLI:NL:PHR:2018:1108

ECLI:NL:PHR:2018:1108, Parket bij de Hoge Raad, 18-07-2018, 18/01679

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 18-07-2018
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/01679
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2018:1847
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830

Samenvatting

Art. 81 lid 1 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsanering. Toerekenbare tekortkoming schuldenaar? Vervolg op HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76 en HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:145, NJ 2018/90. Monitoring aanvraag beschermingsbewind door bewindvoerder.

Uitspraak

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Aan het einde van rov. 3.3 van het nu bestreden arrest verwoordt het hof gelet op de eerdere arresten van Uw Raad in deze zaak volgens mij op juiste wijze wat de nu resterende taak was van het hof na de tweede verwijzing (gelet met name op de hiervoor in voetnoot 7 weergegeven passages uit rov. 3.3.2 van het arrest van Uw Raad van 2 februari 2018):

“(...) op grond van deze verwijzing door de Hoge Raad ligt de vraag wat de bewindvoerder in het kader van de verzochte monitoring heeft gedaan en wat dat betekent voor de toerekenbaarheid van [verzoekster] aan dit hof voor.”

Daartoe diende het hof volgens meergenoemde rov. 3.3.2 van het tweede verwijzingsarrest van Uw Raad:

“(...) zelfstandig (nader) onderzoek te doen naar de door [verzoekster] gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van beschermingsbewind ‘nauwgezet te monitoren’. Het stond het hof daarom vrij om nadere inlichtingen bij de bewindvoerder in te winnen en deze in de beoordeling te betrekken.”

De beslissing tot bekrachtiging van het vonnis van 17 maart 2016 door het hof in het nu aangevallen arrest berust op dit nadere onderzoek en rust bij precieze beschouwing op twee pijlers die naar mijn indruk ieder zelfstandig dragend zijn voor de gegeven beslissing.

In rov. 3.6 oordeelt het hof in de eerste plaats dat het feit dat het beschermingsbewind achterwege is gebleven niet zozeer valt toe te schrijven aan onvoldoende monitoring van de bewindvoerder – zo daarvan al sprake is – maar aan de weerstand van [verzoekster] tegen dat bewind, waartoe [verzoekster] na eerst actief zelfstandig inlichtingen te hebben ingewonnen bij de relevantie instanties (gemeente en Plangroep) volgens het feitelijke oordeel van het hof weloverwogen heeft besloten. Dat zij zelf in staat was deze informatie in te winnen en zich te laten informeren en zo zicht heeft gekregen op wat beschermingsbewind zou betekenen, sluit volgens het hof aan bij haar verklaring dat het in 2015 veel beter met haar ging dan voorheen en zij geen behandeling en begeleiding voor haar psychische klachten meer nodig had. De feitelijke gevolgtrekking die het hof hieruit trekt is dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster]’s eigen beslissing om van beschermingsbewind af te zien in belangrijke mate gehinderd werd door psychische problematiek, waartoe door [verzoekster] onvoldoende is gesteld en hetzelfde geldt volgens het hof voor de positie dat zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen zouden zijn van het afzien van de aan de door de rechtbank geboden laatste kans verbonden voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind.

Vervolgens – tweede pijler – oordeelt het hof in rov. 3.7 volledigheidshalve dat de bewindvoerder gelet op de omstandigheden van het geval hier heeft voldaan aan haar opdracht tot nauwgezet monitoren. In de gegeven omstandigheden, waaronder [verzoekster]’s onbereikbaarheid, is volgens het hof niet aannemelijk geworden dat verdergaande acties van de bewindvoerder hadden kunnen worden verlangd die [verzoekster] wel beschermingsbewind zouden hebben laten accepteren.

Van het uit zes onderdelen bestaande middel richten de onderdelen I.1 (eerste twee klachten) en I.2 zich tegen deze laatste tweede pijler (hoofdzakelijk rov. 3.7) en de onderdelen I.1 (laatste klacht), I.3 (dat in verdere subonderdelen uiteenvalt) en I.4 tegen de eerste (rov. 3.6), gevolgd door de louter voortbouwende klachten uit onderdelen I.5 en I.6. Indien mijn analyse klopt, kan pas worden gecasseerd als beide pijlers met succes onderuit gehaald worden. Daarvan is volgens mij geen sprake.

Ik bespreek eerst de aanval op de tweede pijler.

Onderdeel I.1 is in de eerste plaats gericht tegen de passage uit rov. 3.7 dat [verzoekster] niet openstond voor contact met de bewindvoerder/onbereikbaar was. Dat miskent dat [verzoekster] die onbereikbaarheid ter zitting heeft betwist: ongewijzigd telefoonnummer en adres (vgl. verklaring [verzoekster] zittingsp-v p. 4 middenin), maar geen telefoontjes of brieven waar de bewindvoerder het over heeft ontvangen, terwijl zij wel een stuk of 15 andere brieven van de bewindvoerder heeft ontvangen met een andere inhoud en waarin niets stond over toeslagen van de Belastingdienst). Door niet (kenbaar) stil te staan bij deze betwisting door [verzoekster], is het oordeel volgens de klacht strijdig met art. 149 Rv en onbegrijpelijk.

Vervolgens klaagt subonderdeel I.1 dat gegrondbevinding van de eerste klacht ook het oordeel aantast in rov. 3.7 dat gelet op onder meer [verzoekster]’s onbereikbaarheid geen verdergaande acties van de bewindvoerder konden worden verlangd die er wel toe zouden hebben geleid dat [verzoekster] beschermingsbewind zou hebben geaccepteerd.

Een laatste vervolgklacht uit onderdeel I.1 is dat de juistheid van de vorige klachten ook de motivering uit rov. 3.6 onderuit haalt dat het achterwege blijven van beschermingsbewind niet zo zeer is toe te schrijven aan onvoldoende monitoring, maar aan [verzoekster]’s weerstand tegen beschermingsbewind en dat het ervoor gehouden moet worden dat [verzoekster] er bewust voor heeft gekozen geen beschermingsbewind te accepteren, zodat het aan haar zelf te wijten is dat zij die laatste kans niet zelf heeft gegrepen.

Deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld. Het oordeel dat [verzoekster] niet open stond voor contact met de bewindvoerder is klaarblijkelijk gebaseerd op de stelling van de bewindvoerder dat [verzoekster] structureel onbereikbaar voor haar was, nu het telefoonnummer van [verzoekster] niet werkte, althans de bewindvoerder [verzoekster] daarop nooit aan de lijn kreeg, en [verzoekster] ook niet reageerde op vele aan haar gestuurde brieven (zittingsp-v p. 3 en 4 en rov. 3.3). In reactie hierop heeft [verzoekster] opgemerkt dat het telefoonnummer dat zij aan de bewindvoerder heeft gegeven het juiste nummer is en dat zij de brieven waarover de bewindvoerder het heeft niet heeft ontvangen, maar wel een stuk of 15 brieven met een andere inhoud (zittingsp-v p. 4). Hiermee heeft [verzoekster] evenwel niet de stelling van de bewindvoerder bestreden dat zij [verzoekster] telefonisch nooit aan de lijn kreeg en dat [verzoekster] ook niet reageerde op de aan haar gestuurde brieven (waarvan zij er in ieder geval wel een stuk of 15 heeft ontvangen). Dat [verzoekster] naar voren heeft gebracht dat zij geen telefonische oproepen van de bewindvoerder heeft ontvangen, zoals de klacht het formuleert, lees ik zodoende niet in het zittingsp-v. Daaruit volgt wél dat [verzoekster] wegens de daarmee gemoeide kosten niet bereid was om zelf de bewindvoerder te bellen (zittingsp-v p. 3). Dat het hof hieruit per saldo feitelijk afleidt dat [verzoekster] structureel onbereikbaar was voor de bewindvoerder en dat zij niet openstond voor contact met de bewindvoerder is volgens mij niet onbegrijpelijk of in strijd met art. 149 Rv.

Nu deze eerste klacht uit onderdeel I.1 niet opgaat, geldt dat ook voor de daarop voortbouwende klachten daarin, die geen zelfstandige betekenis hebben.

Onderdeel I.2 klaagt in de eerste plaats dat, voor zover het hof de onder I.1 genoemde betwisting van [verzoekster] wel (impliciet) in zijn beoordeling heeft betrokken, is miskend dat de bewindvoerder een nadere motiveringsplicht had ter onderbouwing dat zij contact met [verzoekster] heeft gezocht over het aanvragen van het beschermingsbewind. Deze nadere, verzwaarde motiveringsplicht ligt volgens de klacht gelet op [verzoekster]’s betwisting van haar onbereikbaarheid in het verlengde van de nauwgezette monitorverplichting van de bewindvoerder, die gelet op de door Uw Raad in het tweede verwijzingsarrest geschetste omvang is te kenschetsen als een bijzondere zorgplicht jegens [verzoekster]. Dus vanwege deze betwisting door [verzoekster] rust op de bewindvoerder op grond van haar nauwgezette monitorverplichting de plicht om te onderbouwen dat zij alle inspanningen heeft verricht die van haar redelijkerwijs konden worden verlangd om zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat het beschermingsbewind zou worden aangevraagd. Dit geldt volgens de klacht vooral in deze zaak waar de bewindvoerder zich verschuilt achter Plangroep en daarbij in algemene bewoordingen stelt dat [verzoekster] niet bereikbaar was, hetgeen volgens [verzoekster] niet klopt.

Uit de bespreking van onderdeel I.1 is om te beginnen duidelijk geworden dat deze klacht feitelijke grondslag mist, nu we zagen dat [verzoekster] de hier aan de orde zijnde stellingen van de bewindvoerder niet heeft betwist, zodat er ook geen sprake van kan zijn dat het hof deze vermeende betwisting (impliciet) bij de beoordeling heeft betrokken.

Maar ook anderszins kan deze klacht niet slagen. Deze behelst naar de kern genomen dat op grond van een verzwaarde motiveringsplicht had moeten worden aangegeven dat de bewindvoerder in contact is gepoogd te treden met [verzoekster] over het aanvragen van beschermingsbewind voor haar. Ik begrijp het hofoordeel op dit punt zo dat, omdat uit eerdere pogingen vanwege de bewindvoerder om contact met [verzoekster] te leggen over andere onderwerpen dan het beschermingsbewind is gebleken dat [verzoekster] voor dit contact niet openstaat (zij reageerde niet op brieven en was telefonisch onbereikbaar), het begrijpelijk is dat de bewindvoerder het contact met [verzoekster] over het beschermingsbewind aan Plangroep overliet (vgl. ook hierna in 2.9). Hiermee loopt het hof de bezwaren uit rov. 3.5.3 van het tweede verwijzingsarrest van 8 februari 2018 af: het hof toetst of de bewindvoerder over de beschermingsbewindkwestie zelf contact met [verzoekster] heeft onderhouden of opgenomen, dan wel dat en waarom dergelijk contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kon worden gevergd. Dit wordt afgetikt op het tweede punt: reden dat geen contact is opgenomen was structurele onbereikbaarheid van [verzoekster] voor de bewindvoerder. De klacht onderkent dit onvoldoende, omdat het in rov. 3.5.3 van het tweede verwijzingsarrest van Uw Raad van tweeën één is: òf er wordt voldoende gemotiveerd aangegeven dat is gepoogd in contact te treden met [verzoekster] hierover, òf er wordt aangegeven dat en waarom het onderhouden of opnemen van zulk contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kon worden gevergd. De klachten richten zich op het eerste punt (verzwaarde motiveringsplicht voor pogingen bewindvoerder om in contact te treden), maar het hof is gaan liggen voor het tweede anker (in contact treden kon niet worden gevergd, omdat [verzoekster] structureel onbereikbaar was). Op dat laatste richten de klachten van onderdeel I.2 zich volgens mij niet. Daar ketst de hoofdklacht uit onderdeel I.2 dan op af en dat geldt ook voor de louter daarop voortbordurende klachten die zijn geformuleerd uitgaande van gegrondbevinding van deze hoofdklacht, zodat ik die verder onbesproken laat.

Bij aanvullend verzoekschrift klaagt [verzoekster] ten aanzien van de onderdelen I.1 en I.2 nog dat de bewindvoerder tegenstrijdige stellingen inneemt, nu zij enerzijds stelt dat zij [verzoekster] nooit zelf heeft benaderd maar de kwestie rondom beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten en anderzijds dat [verzoekster] niet bereikbaar was.

Waarom deze stellingen van de bewindvoerder tegenstrijdig zouden zijn, licht het middel niet toe. Ik zie die tegenstrijdigheid niet. Voor zover de vermeende tegenstrijdigheid in de omstandigheid zou liggen dat de bewindvoerder enerzijds stelt geen contact met [verzoekster] te hebben opgenomen en anderzijds dat [verzoekster] niet bereikbaar was, waarbij dat laatste impliceert dat de bewindvoerder wél contact met [verzoekster] heeft opgenomen, berust dit op een onjuiste lezing van de stellingen van de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft namelijk niet gesteld dat zij geprobeerd heeft contact op te nemen met [verzoekster] over het beschermingsbewind en dat [verzoekster] toen niet bereikbaar was, hetgeen inderdaad tegenstrijdig zou zijn met de stelling dat de bewindvoerder het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten, maar dat zij eerder, over andere onderwerpen, al heeft geprobeerd contact met [verzoekster] op te nemen, dat [verzoekster] toen onbereikbaar bleek en dat zij daarom het contact over het beschermingsbewind aan Plangroep heeft overgelaten. In die stellingen valt geen tegenstrijdigheid te bespeuren.

Nu de klachten tegen de tweede pijler van de hofbeslissing niet slagen, bestaat – zoals toegelicht in 2.1 – bij de andere klachten geen belang meer. Voor het geval Uw Raad daar niettemin aan toe zou komen, volgt ook daarvan nu een bespreking.

Onderdeel I.3 is gericht tegen het oordeel in rov. 3.6 dat [verzoekster] niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat en waarom zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn indien zij – zoals nu is gebeurd – niet zou voldoen aan de door de rechtbank aan haar laatste kans (op een schone lei) gestelde voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind.

Het onderdeel klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting over de vaststaande omvang en strekking van de nauwgezette monitorverplichting van de bewindvoerder. Het oordeel is bovendien onbegrijpelijk. Niet valt in te zien waarom [verzoekster] moet onderbouwen dat zij zich niet bewust is geweest van de gevolgen van haar beslissing ten aanzien van de schuldsaneringsregeling, terwijl vaststaat dat de bewindvoerder zonder een aannemelijke verklaring haar in feite aan Plangroep heeft overgelaten (onder I.3.3). Gelet op de omstandigheid dat (i) de bewindvoerder [verzoekster] niet zelf heeft geprobeerd te benaderen over het beschermingsbewind, maar van mening was dat zij dit aan Plangroep mocht overlaten, hetgeen zij ook heeft gedaan, en (ii) het hof niet zonder nader onderzoek heeft mogen vaststellen dat [verzoekster] niet open zou staan voor contact met de bewindvoerder, heeft het hof:

 niet kunnen oordelen dat het op de weg van [verzoekster] had gelegen om nader te onderbouwen dat zij niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar schuldsaneringsregeling zouden zijn indien zij af zou zien van beschermingsbewind en dat [verzoekster] dit onvoldoende heeft onderbouwd (onderdeel I.3.1) en

 miskend dat blijkens de vaststaande omvang en strekking van de nauwgezette monitorverplichting het niet op de weg van [verzoekster] lag om nader te onderbouwen dat zij zich de gevolgen van haar beslissing om af te zien van het beschermingsbewind niet heeft gerealiseerd, nu het aan de bewindvoerder was om te onderbouwen dat [verzoekster] hiervan wel bewust was (onderdeel I.3.2).

Het onderdeel bouwt in al zijn klachten voort op het – in de hieraan voorafgaande bespreking onjuist bevonden – uitgangspunt dat het hof niet heeft mogen oordelen dat het, gelet op het feit dat [verzoekster] niet openstond voor contact met de bewindvoerder, begrijpelijk is dat de bewindvoerder het aan Plangroep heeft overgelaten om contact met [verzoekster] te zoeken over het aanvragen van het beschermingsbewind. Daarop lopen deze klachten al stuk.

Het met dit onderdeel bestreden oordeel volgt bovendien op de vaststelling van het hof dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bij het nemen van haar beslissing om af te zien van het beschermingsbewind in belangrijke mate gehinderd werd door (psychische) problematiek. In dat licht bezien is rechtens niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het vervolgens aan [verzoekster] was om te stellen, en zo nodig te onderbouwen, dat zij desalniettemin niet heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn indien zij niet zou voldoen aan de door de rechtbank aan haar laatste kans gestelde voorwaarde. Doel en strekking van de nauwgezette monitorverplichting maken dat niet anders, zoals nader uiteengezet wordt bij de bespreking van onderdeel I.4.

We komen hier wel bij een aarzelpunt: het in hoge mate feitelijke oordeel of [verzoekster] de gevolgen van het afzien van beschermingsbewind ten aanzien van haar schuldsaneringsregeling wel of niet volledig heeft overzien, had op basis van de (psychische) gesteldheid van [verzoekster] en hetgeen ter mondelinge behandeling van 5 april 2018 door haar is verklaard volgens mij ook anders beoordeeld kunnen worden in het licht van de gedingstukken (maar maakt de gegeven hoofdzakelijk feitelijke beslissing nog niet zonder meer vatbaar voor cassatie zonder voldoende precieze klachten daarover). Ik citeer uit het proces-verbaal van die mondelinge behandeling:

“Voorzitter: u bent in maart 2013 tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. Na anderhalf jaar was er een verhoor bij de rechter-commissaris omdat uw regeling niet goed liep. Wat is er toen met u besproken?

[verzoekster] : dat weet ik niet. Ik had een burn-out en een depressie. Wat toen werd gezegd kwam niet binnen bij me.

(…)

[verzoekster] : ik had er geen benul van wat beschermingsbewind inhield. Daarover heb ik toen contact gehad met mijn budgetbeheerder, Plangroep. Ook heb ik de gemeente Hellevoetsluis gebeld. Daar werd gezegd dat ik die en die moest bellen. Dat heb ik toen gedaan. Toen hoorde ik dat alles bloot zou komen te liggen, ook mijn hele inkomen. Ik zag niet in waarom ik dat zou doen. Ik had al budgetbeheer via Plangroep, waarom zou ik dan beschermingsbewind moeten hebben?

Voorzitter: de rechter-commissaris vond het verstandig dat u onder beschermingsbewind zou komen en dat u dat moest aanvragen.

[verzoekster] : ik wist niet wat een beschermingsbewindvoerder doet en waar ik zo iemand kan vinden. Ik had toen nog een burn-out. Anderhalf jaar lang heb ik daarvoor bij een psycholoog gelopen.

Voorzitter: hierover is geen enkele informatie overgelegd.

[verzoekster] : ik heb, behalve een kaartje, zelf ook niets gekregen. De behandeling bij de psycholoog duurde van 2012 tot half 2013.

Voorzitter: stond u tussen 2014 en 2016 nog onder behandeling?

[verzoekster] : nee. Het ging toen redelijk goed met mij.

Wat de rechter tegen mij zei, kwam ook toen nog niet bij me aan, ik begreep het niet.

Voorzitter: ging het met u in die periode toen wel goed?

[verzoekster] : ja, maar de woorden kwamen niet aan. Ik zat in een langzaam proces van beter worden.

Voorzitter: vond u het instellen van beschermingsbewind voor u een goed idee?

[verzoekster] : ik wist niet wat dat was. Nu is dat bewind niet meer nodig, ik ben eruit.

(…)

Raadsheer Bilderbeek: u zei dat u moest bellen voor informatie over beschermingsbewind en dat u toen ‘die en die had gebeld’. Hoorde u toen voor het eerst dat beschermingsbewind betekende dat u geen zeggenschap meer zou hebben over uw eigen geld?

[verzoekster] : toen dacht ik: ik loop al bij Plangroep, dus waarom dan beschermingsbewind?

Ik heb toen teruggebeld en gezegd dat ik van beschermingsbewind afzie. (…)

Raadsheer Bilderbeek: u bent wel zelf netjes gaan bellen. Toen u kreeg te horen wat beschermingsbewind voor u zou gaan betekenen, had u daar geen zin in.

[verzoekster] : ik vroeg mij af waarom ik beschermingsbewind moest als ik het ook zelf kon? Dan ga ik iemand belasten terwijl dat niet nodig is.

Voorzitter: u vond het ingewikkeld uw financiële gegevens bloot te geven, dat wilde u niet.

[verzoekster] : inderdaad.”

Uit deze verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij niet heeft stilgestaan bij de gevolgen die het afzien van het beschermingsbewind zou hebben voor haar schuldsaneringsregeling, althans deze gevolgen niet heeft overzien. Als redenen om af te zien van het beschermingsbewind noemt zij immers dat zij haar financiële gegevens niet bloot wilde leggen en dat zij niet inzag wat beschermingsbewind zou toevoegen ten opzichte van het budgetbeheer via Plangroep.

Verder blijkt uit de verklaringen van [verzoekster] gedaan in de periode waarin zij de beslissing nam om af te zien van het beschermingsbewind (2015) dat zij op dat moment wel degelijk last had van (psychische) problematiek, hetgeen ook door de rechtbank bij het vonnis van 3 april 2015 is vastgesteld. In 2018 verklaart zij vervolgens – overigens net zoals in 2015 – weliswaar dat zij in 2015 niet langer onder behandeling stond van een psycholoog omdat het “redelijk goed” met haar ging, maar ook dat ze langzaam herstelde en (daardoor) hetgeen in die periode tegen haar gezegd werd “niet bij haar binnenkwam” en dat “zij het niet begreep”. Dit maakt eveneens dat betwijfeld kan worden of [verzoekster] de gevolgen van het afzien van beschermingsbewind voor haar schuldsaneringsregeling wel voldoende kon overzien. Dat [verzoekster] ter zitting van het hof in 2018 verklaart dat zij in 2015 geen behandeling/begeleiding meer had voor haar psychische problematiek, zoals ook het hof vaststelt, doet hieraan niet af, nu dit niet noodzakelijk betekent dat zij dat ook niet meer nodig had dan wel hiervan geen last meer ondervond bij het nemen van beslissingen.

Hier komt nog bij dat, juist vanwege de bij [verzoekster] aanwezige (psychische) problematiek, rekening moest worden gehouden met een aanvankelijk tegenwerkende houding van [verzoekster] tegenover het beschermingsbewind, aldus Uw Raad in het arrest van 2 februari 2018, rov. 3.5.3 (vp. vt. 1).

De beoordeling van de vraag (in het kader van, uiteindelijk, de toets of zij een schone lei verdient) of [verzoekster] voldoende heeft kunnen begrijpen wat de gevolgen voor haar zouden zijn ten aanzien van de schuldsaneringsregeling indien zij af zou zien van het beschermingsbewind, is als gezegd sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard en bevindt zich daarom in belangrijke mate in het domein van de feitenrechter. Dat betekent dat het oordeel van het hof op dit punt in cassatie maar beperkt te toetsen is. Ik zie in onderdeel I.3 geen voldoende scherpe (motiverings)klachten die de vinger leggen op de hiervoor aangekaarte punten. Ook onderdeel I.3 leunt (te) zwaar op de (falende) klachten uit onderdelen I.1 en I.2 en de tevergeefs gewraakte onbereikbaarheid van [verzoekster] voor de bewindvoerder. Daar komt bij dat het hof de hele beoordeling in de als hiervoor aangegeven volgens mij juiste toets situeert van de uiteindelijk ambtshalve door het hof te beoordelen vraag of een schone lei kan worden verleend (vgl. hiervoor in 2.1 en het citaat uit voetnoot 7).

Onderdeel I.4 richt zich tegen het oordeel in rov. 3.6 dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] bij het nemen van haar beslissing om af te zien van beschermingsbewind in belangrijke mate gehinderd werd door (psychische) problematiek, nu zij in staat is gebleken zelf contact op te nemen met Plangroep en andere instanties om zich over het beschermingsbewind te laten informeren en aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en de consequenties van het beschermingsbewind, hetgeen aansluit bij haar verklaring dat het in 2015 zoveel beter met haar ging dat zij geen behandeling voor haar psychische klachten meer nodig had.

Het onderdeel klaagt ten eerste dat dit oordeel in strijd is met het in dit geding op grond van het vonnis van de rechtbank van 3 april 2015 vaststaande feit dat [verzoekster] door haar leeftijd en psychische gesteldheid niet bij machte is haar schuldsaneringsregelingsverplichtingen na te komen, zodat het oordeel van het hof de omvang van het verwijzingsgeschil miskent.

Verder klaagt het onderdeel dat dit oordeel ook onbegrijpelijk is, nu niet valt in te zien waarom [verzoekster], die bij de behoorlijke nakoming van haar verplichtingen onder de schuldsanering gehinderd wordt door haar leeftijd en psychische gesteldheid, hierdoor niet gehinderd zou worden bij het nemen van de beslissing om af te zien van beschermingsbewind.

In de derde plaats klaagt het onderdeel volgens het aanvullend verzoekschrift dat het hof heeft miskend dat de psychische problematiek en leeftijd [verzoekster] nog steeds hinderen bij het nakomen van haar schuldsaneringsverplichtingen, nu uit het zittingsp-v volgt dat [verzoekster] het “ingewikkeld” vond om al haar financiële gegevens te overhandigen (vgl. het citaat hiervoor uit 2.15 aan het einde).

In het vonnis van 3 april 2015 is overwogen dat “gebleken is dat schuldenares door haar leeftijd en psychische gesteldheid grote moeite heeft met het doen van haar administratie” en dat “het erop lijkt dat [[verzoekster]] niet bij machte is om de verplichtingen [uit de schuldsaneringsregeling, A-G] na te komen”. Het tot uitgangspunt nemen van deze overwegingen dwingt niet tot de conclusie dat [verzoekster] bij al haar in die periode genomen beslissingen ook daadwerkelijk gehinderd werd door (psychische) problematiek. Het feitelijke hofoordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] met betrekking tot de beslissing om af te zien van beschermingsbewind werd gehinderd door (psychische) problematiek, is dan ook niet zonder meer strijdig met deze overwegingen van de rechtbank. Evenmin is dit feitelijke oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu dit is toegelicht door te wijzen op de – in cassatie onbestreden – omstandigheden dat (i) [verzoekster] na het rechtbankvonnis uit april 2015 zelf contact heeft opgenomen met diverse instanties om zich te laten voorlichten over het beschermingsbewind, (ii) [verzoekster] aldus zicht heeft gekregen op de inhoud en consequenties van het beschermingsbewind en (iii) dit aansluit bij de verklaring van [verzoekster] dat het in 2015 zoveel beter met haar ging dat zij geen behandeling/begeleiding meer nodig had voor haar psychische klachten.

Voor wat betreft de klacht dat uit het feit dat [verzoekster] het “ingewikkeld” vond om haar financiële gegevens te overhandigen zou blijken dat zij nog steeds niet bij machte is om aan haar schuldsaneringsverplichtingen te voldoen, geldt – wat daar verder ook van zij – dat het hof niet heeft geoordeeld dat de psychische problematiek en haar leeftijd [verzoekster] niet langer hinderen bij het nakomen van haar schuldsaneringsverplichtingen. Het hof heeft geoordeeld dat deze problematiek [verzoekster] niet heeft gehinderd bij de specifieke beslissing om af te zien van het beschermingsbewind. Overigens lijkt mij hier met de term “ingewikkeld” gelet op de context waarin de opmerking is gemaakt bedoeld te zijn dat [verzoekster] het niet prettig vond om haar financiële gegevens bloot te geven, en niet dat het haar boven de pet ging. Ik zie zodoende geen van de klachten uit onderdeel I.4 opgaan.

De onderdelen I.5 en I.6 bevatten alleen voortbouwende klachten, die gelet op het voorgaande geen inhoudelijke bespreking behoeven.

3. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?