30 oktober 2018
Strafkamer
nr. S 17/03871
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2017, nummer 20/003263-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het vijfde middel
Het middel klaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde opzet op de omstandigheid dat voor de geneesmiddelen geen handelsvergunning geldt, niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd met aanvulling van gronden. In dat vonnis is ten laste van de verdachte overeenkomstig de tenlastelegging onder 4 bewezenverklaard dat hij:
"op 2 juli 2013 te Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk geneesmiddelen, te weten Kamagra, waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad en heeft verkocht."
Het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt ten aanzien van deze bewezenverklaring voorts het volgende in:
"Op 2 juli 2013 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan [a-straat 1] te Tilburg alwaar [betrokkene 1] en [verdachte] woonachtig zijn. Bij deze doorzoeking blijken er grote hoeveelheden strips met Kamagra pillen te zijn aangetroffen en in beslag genomen. (...)
Met betrekking tot de in de woning aangetroffen pillen Kamagra dient de rechtbank allereerst vast te stellen of deze als een geneesmiddel kunnen worden aangemerkt.
(...)
Voorts dient de rechtbank vast te stellen of in deze tabletten is gehandeld.
(...)
De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat verdachte heeft gehandeld in het geneesmiddel Kamagra en dit tevens op voorraad heeft gehad. Daarvoor is een handelsvergunning vereist waarvan uit onderzoek is gebleken dat zowel verdachte [verdachte] als [betrokkene 1] daarover niet beschikte. Zij acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in en het op voorraad hebben van het geneesmiddel Kamagra zonder de daarvoor vereiste handelsvergunning. De verklaring die [betrokkene 1] hierover heeft afgelegd getuigt immers van een zodanige verwevenheid van haar rol bij dit feit dat gesproken kan worden van medeplegen."
De tenlastelegging is toegesneden op art. 40, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende begrip "waarvoor geen handelsvergunning geldt" moet derhalve geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.
Art. 40, tweede lid, Geneesmiddelenwet luidt:
"Het is verboden een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad te hebben, te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen, in te voeren of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied te brengen."
Overtreding van het voorschrift van art. 40, tweede lid, Geneesmiddelenwet, is op de voet van art. 2, eerste lid, WED een misdrijf voor zover dit delict opzettelijk is begaan.
Aangezien de bewezenverklaring van het onder 4 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat het opzet van de verdachte mede was gericht op de omstandigheid dat voor het geneesmiddel geen handelsvergunning geldt, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarover klaagt het middel terecht.
Dat behoeft bij gebrek aan voldoende belang evenwel niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat, indien het gewraakte onderdeel van de bewezenverklaring van feit 4 vervalt, de aard en de ernst van al hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1 - in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2018.