22 mei 2018
Strafkamer
nr. S 17/01587 B
ES
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 november 2016, nummer RK 16/1167, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
In de bestreden beschikking ligt – mede in aanmerking genomen dat de Rechtbank de vader van de klager als belanghebbende in de zin van art. 552a, vijfde lid eerste volzin, Sv heeft aangeduid – als haar vaststelling besloten dat de auto, merk Porsche, onder de vader van de klager in beslag is genomen. De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen auto ongegrond verklaard.
Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat de inbeslaggenomen auto op 11 september 2017 is teruggegeven aan Kravag-allgemeine Versicherungs-AG.
Art. 134, tweede lid, Sv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
a. het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggeven, dan wel de waarde daarvan wordt uitbetaald."
Gelet op het voorgaande is het beslag inmiddels beëindigd zodat de klager niet in het cassatieberoep kan worden ontvangen. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de klager niet tevens de beslagene is, zodat te dezen de regeling van art. 116, derde lid, Sv niet van toepassing is.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018.