11 oktober 2019
Eerste Kamer
18/01155
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ING BANK N.V.,gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie, verweerster in het gedeeltelijk voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
[Cliënt] ,wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het gedeeltelijk voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. J.P. Heering en mr. P.J. Tanja.
1. Het arrest in dit geding
De Hoge Raad heeft in deze zaak op 4 oktober 2019 een arrest uitgesproken.
In dit arrest zijn in rov. 4.2.2 woorden weggevallen. De alinea in die rechtsoverweging die begint met de woorden:
“De wederpartij moet zich van haar kant redelijke inspanningen getroosten om te voorkomen dat zij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken contracteert. Van haar mag daarom in ieder geval worde overeenkomst en van voorafgaand aan het sluiten daarvan verstrekte brochures en andere schriftelijke informatie, en dat zij deze stukken aandachtig en met de nodige oplettendheid bestudeert. (…)”
moet luiden:
“De wederpartij moet zich van haar kant redelijke inspanningen getroosten om te voorkomen dat zij onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken contracteert. Van haar mag daarom in ieder geval worden verlangd dat zij kennisneemt van de inhoud van de overeenkomst en van voorafgaand aan het sluiten daarvan verstrekte brochures en andere schriftelijke informatie, en dat zij deze stukken aandachtig en met de nodige oplettendheid bestudeert. (…)”.
Tevens moet in rov. 4.2.3, tweede alinea, tweede volzin, in de woorden “van verder voorlichting” aan het woord “verder” een “e” worden toegevoegd.
De Hoge Raad is van oordeel dat in het arrest sprake is van kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel op grond van art. 31 Rv lenen. Hij heeft de advocaten van partijen op de hoogte gesteld van zijn voornemen deze fouten ambtshalve te verbeteren en hun de gelegenheid gegeven zich daarover uit te laten. De advocaten hebben laten weten tegen herstel geen bezwaar te hebben. De Procureur-Generaal is in de gelegenheid gesteld aanvullend te concluderen, maar heeft daarvan afgezien.
De Hoge Raad zal het arrest op de voet van art. 31 Rv ambtshalve verbeteren zoals hiervoor in 1.2 is vermeld.
2. Beslissing
De Hoge Raad:
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 11 oktober 2019.