12 april 2019
Eerste Kamer
18/02704
TT/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster] ,wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
Pieter Rudolf DEKKER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] ,kantoorhoudende te Rosmalen,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de curator.
1. Het verdere verloop van het geding in cassatie
Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:36.
De curator en [verzoekster] hebben ieder een akte na tussenarrest genomen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman van 20 februari 2019 strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Verdere beoordeling in het incident en in de hoofdzaak
In zijn hiervoor in 1 genoemde tussenarrest heeft de Hoge Raad in het incident onder meer bevolen dat [verzoekster] ten behoeve van de curator zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.500,-- ter zake van de proceskosten waartoe [verzoekster] in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden. De Hoge Raad heeft bepaald dat de zekerheid moest zijn gesteld uiterlijk op 8 februari 2019 op straffe van niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De curator heeft in zijn akte na tussenarrest verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat zij geen zekerheid heeft gesteld.
[verzoekster] heeft in haar akte na tussenarrest bevestigd dat de door de Hoge Raad bevolen zekerheid niet is gesteld.
Nu vaststaat dat [verzoekster] geen zekerheid heeft gesteld, dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
in de hoofdzaak:
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 april 2019.