2. De bespreking van de aktes voor de rolzitting van 15 februari 2019
Mijns inziens dient [verzoekster] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep. Vaststaat dat [verzoekster] niet heeft voldaan aan de door de Hoge Raad in het incident bevolen zekerheid van € 3.500,-- De sanctie daarop is niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep.
Ik begrijp het arrest van de Hoge Raad zo dat hij mij heeft gevolgd in het oordeel dat art. 224 lid 1 Rv rechtstreekse toepassing mist, omdat [verzoekster] in eerste aanleg het rechtsmiddel van verzet heeft aangewend. De Hoge Raad heeft vervolgens, mede gelet op de strekking van art. 224 lid 1 Rv, aangenomen dat de bepaling van overeenkomstige toepassing is op het onderhavige geval waarin [verzoekster] op de voet van art. 10 Fw in verzet is gekomen tegen de faillietverklaring van [A] . Dat is een duidelijk oordeel van de Hoge Raad in een controversiële kwestie.Aan dat duidelijke oordeel van de Hoge Raad doet het door [verzoekster] onder 5-8 van haar in nr. 1.10 bedoelde akte gestelde niet af. Het verzoek van [verzoekster] af te zien van niet-ontvankelijkverklaring dient, nu de door de Hoge Raad bevolen zekerheid niet is gesteld, te worden afgewezen.
3. De conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G