2. Uitgangspunten en feiten
Het gaat in dit geding, voor zover in cassatie van belang, om de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie.
De man heeft de rechtbank verzocht, kort gezegd en voor zover in cassatie van belang, een eerdere uitspraak waarbij hem een partneralimentatie was opgelegd van € 1.500,-- per maand, te vernietigen, althans te wijzigen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft overwogen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 3.353,70 bedraagt en haar netto besteedbaar inkomen in 2015 € 2.482,-- per maand, “zodat de vrouw in 2015 een aanvullende behoefte heeft van (€ 3.353,70 -/- € 2.482,- =) € 1.871,70.” (rov. 5.3-5.4)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
Onderdeel 2.1 van het middel klaagt, samengevat, dat het hof in rov. 5.4 een kennelijke rekenfout heeft gemaakt door de aanvullende behoefte te berekenen op € 1.871,70.
De klacht is gegrond. Het bedrag van € 3.353,70 minus het bedrag van € 2.482,-- komt uit op een bedrag van € 871,70 en dus niet op het door het hof berekende bedrag van € 1.871,70.
In het verlengde van onderdeel 2.1 slagen ook de onderdelen 2.1.1 en 2.1.2. De hierop voortbouwende klachten van de onderdelen 2.1.4 en 2.3 slagen gedeeltelijk (zie hiervoor de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.13 en 2.24).
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 april 2019;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 26 juni 2020.