HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/05490
Datum 3 november 2020
BESLISSING
op een verzoek in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte,
in welke zaak het gerechtshof Amsterdam arrest heeft gewezen op 20 december 2018, nummer 23/003471-16.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 12 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat namens de verdachte geen schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad is ingediend (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).
Op 18 augustus 2020 is bij de Hoge Raad ingekomen een namens de verdachte ingediend geschrift, waarin wordt verzocht te bepalen dat het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2020 zijn kracht heeft verloren en aan de verdachte een termijn te geven voor het indienen van een cassatieschriftuur, omdat de aanzegging in cassatie niet op rechtsgeldige wijze is betekend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal bepalen dat het arrest van de Hoge Raad in de onderhavige zaak wordt ingetrokken en dat aan de verdachte een termijn voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie wordt gegeven.
2. Beoordeling van het verzoek
De Hoge Raad is van oordeel dat het arrest van 12 mei 2020 moet worden ingetrokken en dat de verdachte een nieuwe termijn moet worden gegeven voor het doen indienen van een cassatieschriftuur. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- trekt in het voormelde arrest van 12 mei 2020;
- geeft aan de verdachte de gelegenheid om binnen twee maanden na het uitspreken van deze beslissing bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie;
- verwijst de zaak naar de enkelvoudige kamer.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2020.