2. Uitgangspunten en feiten
Sinds 2008 bevat de CAO Martinair Vliegers (hierna: de CAO) voor vliegers van Martinair een regeling voor een ontslagvergoeding bij overtolligheid. Op grond van art. IV van Bijlage 13 van de CAO maakt van die vergoeding deel uit een werkgeversbijdrage pensioenpremie van 18% van het laatstgenoten maandsalaris. In 2015 is in het Protocol Pensioenen 2015 de werkgeversbijdrage pensioenpremie verhoogd naar 26,5%.
In deze procedure vorderen de Vliegers een verklaring voor recht dat Martinair is gehouden bij de berekening en betaling van de ontslagvergoeding als bedoeld in art. IV van Bijlage 13 van de CAO rekening te houden met een werkgeversbijdrage pensioenpremie van 26,5%.
De kantonrechter heeft deze verklaring voor recht gegeven.
Martinair is in hoger beroep gegaan en heeft vernietiging van het vonnis van de kantonrechter gevorderd. Bovendien heeft Martinair gevorderd “voor recht te verklaren dat voor de berekening van de ontslagvergoeding in artikel IV van Bijlage 13 een pensioenbijdrage van de werkgever van 18% moet worden meegenomen”.
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, de door Martinair gevorderde verklaring voor recht gegeven, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel V van het middel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat art. 353 lid 1 Rv eraan in de weg staat dat voor het eerst in hoger beroep een eis in reconventie wordt ingesteld.
Deze klacht slaagt. Martinair was in eerste aanleg gedaagde en heeft toen geen reconventionele vordering ingesteld. De pas in hoger beroep ingestelde vordering tot het geven van de hiervoor in 2.3 weergegeven verklaring voor recht was daarom op grond van art. 353 lid 1 Rv niet toewijsbaar.
Deze uitkomst is niet van invloed op de in het bestreden arrest uitgesproken veroordeling van de Vliegers in de proceskosten, aangezien zij als de in hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zijn aan te merken.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door Martinair alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in de hiervoor in 2.3 bedoelde vordering tot het geven van een verklaring voor recht. De Hoge Raad zal de kosten van het geding in cassatie tussen partijen compenseren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2018, maar uitsluitend voor zover het hof voor recht heeft verklaard dat voor de berekening van de ontslagvergoeding in artikel IV van Bijlage 13 een pensioenbijdrage van 18% moet worden meegenomen;
- verklaart Martinair niet-ontvankelijk in haar vordering tot het geven van een verklaring voor recht;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 14 februari 2020.