ECLI:NL:HR:2020:385

ECLI:NL:HR:2020:385, Hoge Raad, 06-03-2020, 19/03229

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 06-03-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/03229
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2019:1314
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001936 BWBR0005537

Samenvatting

Onteigeningsrecht. Aan onteigende aangeboden bijkomende voorzieningen niet vermeld in het dictum; art. 54i lid 1 Ow. Hoge Raad doet zelf de zaak af. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2380.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om het volgende.

Bij het hiervoor in 1 vermelde vonnis heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van drie perceelsgedeelten die eigendom zijn van [eiser] . Blijkens het vonnis (rov. 3.2) heeft de Provincie in de inleidende dagvaarding drie bijkomende voorzieningen aan [eiser] aangeboden.

3. Beoordeling van het middel

Onderdeel II van het middel klaagt dat de rechtbank heeft verzuimd in het dictum van het vonnis te bepalen dat de Provincie de drie bij dagvaarding aangeboden bijkomende voorzieningen gestand zal doen.

Art. 54i lid 1 Ow bepaalt dat de rechtbank de onteigening uitspreekt met onder meer bepaling van de door de onteigenende partij te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen. Op bladzijde 4 van de inleidende dagvaarding heeft de Provincie drie bijkomende voorzieningen aangeboden. Daarover heeft de rechtbank in het dictum niets bepaald. De klacht is dus gegrond. De Hoge Raad kan zelf op dit punt de zaak afdoen.

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

Nu de Provincie zich ten aanzien van onderdeel II heeft gerefereerd en niet heeft uitgelokt of verdedigd dat de rechtbank een beslissing omtrent de bijkomende voorzieningen achterwege zou laten, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juni 2019, maar alleen voor zover in het dictum daarvan een beslissing ontbreekt over de door de Provincie aangeboden bijkomende voorzieningen;

- bepaalt dat de Provincie, op verlangen van [eiser] , de in de inleidende dagvaarding op blz. 4 aangeboden bijkomende voorzieningen gestand zal doen;

- verwerpt het beroep voor het overige;

- reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

- begroot deze kosten tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] op € 516,19 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris en aan de zijde van de Provincie op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 6 maart 2020.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2020/698 RvdW 2020/335
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?