2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij het hiervoor in 1 vermelde vonnis heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken van twee perceelsgedeelten die eigendom zijn van [eiser], ten algemenen nutte ten behoeve en ten name van de Provincie.
(ii) In randnummer 10 van de inleidende dagvaarding heeft de Provincie als bijkomende voorziening aan [eiser] aangeboden:
‘Daarnaast biedt de provincie [eiser] aan de perceelsgedeelten na realisatie van het werk (de verwijdering van de turbine) terug te leveren tegen een koopprijs van € 18.109,= (zegge: achttienduizend honderdennegen euro). De provincie doet dit bijkomend aanbod gestand tot twee maanden nadat het eindvonnis in de onteigeningsprocedure onherroepelijk is geworden en het werk is uitgevoerd. De kosten van (terug)levering zijn voor rekening van de provincie.’
3. Beoordeling van het middel
Klacht E van het middel houdt in dat de rechtbank heeft verzuimd in het dictum van het bestreden vonnis te bepalen dat de Provincie de aangeboden bijkomende voorziening, die is opgenomen in de inleidende dagvaarding en ook is weergegeven in rov. 3.2 van het vonnis, gestand zal doen.
Art. 54i lid 1 Ow bepaalt dat de rechtbank de onteigening uitspreekt met onder meer bepaling van de door de onteigenende partij te treffen bijkomende voorzieningen, indien deze in het aanbod zijn opgenomen. In randnummer 10 van de inleidende dagvaarding heeft de Provincie een bijkomende voorziening aangeboden. Daarover heeft de rechtbank in het dictum niets bepaald. De klacht is dus gegrond. De Hoge Raad kan zelf op dit punt de zaak afdoen.
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2020, maar alleen voor zover in het dictum daarvan een beslissing ontbreekt over de door de Provincie aangeboden bijkomende voorziening;
- bepaalt dat de Provincie, op verlangen van [eiser], de in randnummer 10 van de inleidende dagvaarding aangeboden bijkomende voorziening gestand zal doen tot twee maanden nadat het eindvonnis in de onteigeningsprocedure onherroepelijk is geworden en het werk is uitgevoerd;
- verwerpt het beroep voor het overige;
- veroordeelt de Provincie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 526,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 oktober 2021.