2. Uitgangspunten en feiten
Partijen zijn de ouders van twee kinderen, die bij de vrouw wonen.
In dit geding verzoekt de vrouw te bepalen dat de man aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen, te bepalen op een na indiening door de man van de relevante gegevens vast te stellen bedrag, althans bij gebreke daarvan op € 200,-- per kind per maand met ingang van 15 november 2018.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de man geen verweer heeft gevoerd en de door de man te betalen bijdrage bepaald op € 200,-- per kind per maand met ingang van 15 november 2018.
Op het hoger beroep van de man heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de man de volgende bedragen aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen:
- € 51,-- per kind per maand met ingang van 15 november 2018;
- € 75,-- per kind per maand met ingang van 4 april 2019;
- € 86,-- per kind per maand met ingang van 1 januari 2020.
In het kader van de berekening van de kinderalimentatie heeft het hof de behoefte van de kinderen vastgesteld en daarover, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
“Behoefte kinderen
De vrouw stelt dat de behoefte van de kinderen € 460,- per maand bedraagt in 2016. Volgens de man bedraagt de behoefte van de kinderen € 400,- per maand in 2016.
Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vast. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.
De vrouw had blijkens de jaaropgaaf 2016 ten tijde van het uiteengaan een inkomen van € 34.992,- bruto per jaar. De man had destijds geen inkomen. Op basis van de jaaropgaaf van de vrouw en een kindgebonden budget van € 838,- per jaar bedroeg het NBI van de vrouw in 2016 € 2.323,- per maand. De behoefte bedroeg in 2016 op basis van het inkomen van de vrouw € 504,- per maand voor beide kinderen en geïndexeerd naar 2018 bedraagt de behoefte € 522,- per maand, naar 2019 € 533,- per maand en naar 2020 € 546,- per maand.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel II van het middel klaagt dat het hof in rov. 5.6 bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de behoefte van de kinderen tezamen moet worden vastgesteld op € 400,-- per maand in 2016. Daartegenover heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2016 € 460,-- per maand bedraagt. Het hof kon daarom de behoefte van de kinderen slechts vaststellen op een bedrag gelegen tussen de € 400,-- en € 460,-- per maand. Door de behoefte van de kinderen voor 2016 vast te stellen op € 504,-- per maand, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ook de behoefte van de kinderen voor de daarop volgende jaren is daarmee onjuist berekend, aldus het onderdeel.
De klacht faalt. De rechtbank heeft een bedrag van € 200,-- per kind per maand aan kinderalimentatie vastgesteld. De man heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat hij geen kinderalimentatie is verschuldigd. Partijen streden in hoger beroep dus over de vraag op welk bedrag tussen € 0,-- en € 200,-- per kind per maand de kinderalimentatie moest worden vastgesteld. Het hof is door de kinderalimentatie te bepalen op € 51,-- met ingang van 15 november 2018, € 75,-- met ingang van 4 april 2019 en € 86,-- met ingang van 1 januari 2020 per kind per maand, binnen de grenzen van de rechtsstrijd gebleven. Het stond het hof daarbij vrij om, rekening houdend met het kindgebonden budget dat ten tijde van het huwelijk werd ontvangen, de behoefte van de kinderen op een hoger bedrag vast te stellen dan waarvan partijen uitgingen.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 16 juli 2021.