ECLI:NL:PHR:2021:442

ECLI:NL:PHR:2021:442, Parket bij de Hoge Raad, 09-04-2021, 20/03758

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 09-04-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/03758
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2021:1163
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002368

Samenvatting

Personen- en familierecht. Kinderalimentatie. Overschrijding grenzen rechtsstrijd bij vaststelling behoefte?

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03758

Zitting 9 april 2021

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: de man,

advocaat mr. F.I. van Dorsser,

Tegen

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

verweerster in cassatie,

hierna: de vrouw,

niet verschenen.

In cassatie wordt geklaagd dat het hof bij de vaststelling van de hoogte van de kinderalimentatie is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, door het kindgebonden budget in aanmerking te nemen bij het netto besteedbaar inkomen voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Ook wordt geklaagd dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden voor wat betreft de bepaling van de behoefte van de kinderen en dat het hof had moeten motiveren waarom het geen rekening meer houdt met het kindgebonden budget vanaf het moment dat de vrouw in het huwelijk is getreden.

1. Feiten en procesverloop

In cassatie kan, voor zover van belang, van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn van 1 november 2013 tot 23 november 2017 gehuwd geweest en zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ,

hierna gezamenlijk: de minderjarigen.

(ii) De minderjarigen verblijven bij de vrouw.

(iii) De man heeft in ieder geval tot de bestreden beschikking geen omgang gehad met de minderjarigen.

(iv) De vrouw is op 10 december 2018 gehuwd met [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1] ) en woont met hem samen. [betrokkene 1] heeft twee kinderen uit een vorig huwelijk.

Bij verzoekschrift, ingekomen op 15 november 2018 bij de rechtbank Noord-Holland, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen een na indiening door de man van de relevante gegevens nader te betalen bedrag dient te betalen en indien de man dat verzuimt deze gegevens in het geding te brengen van € 200,- per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

De man heeft geen verweer gevoerd.

Bij beschikking van 6 februari 2019 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: de kinderalimentatie) dient te voldoen van € 200,- per maand per kind, met ingang van 15 november 2018, en voor wat betreft de na die datum toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De man is op 26 april 2019 in hoger beroep gekomen van die beschikking. Hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man geen kinderalimentatie is verschuldigd.

Bij aanvullend verzoekschrift van 10 juli 2019 heeft de man verzocht om schorsing van de beschikking van 6 februari 2019 en te bepalen dat hij voor de duur van de procedure geen kinderalimentatie is verschuldigd.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 22 oktober 2019 heeft het hof het verzoek om schorsing afgewezen.

In een aanvulling op zijn verzoekschrift van 9 maart 2020 heeft de man verzocht de kinderalimentatie met ingang van 15 november 2018 tot en met 4 april 2019 vast te stellen op € 25,- per maand per kind en met ingang van 5 april 2019 op een bedrag van € 89,- per maand per kind.

Bij verzoekschrift van 9 april 2020 heeft de man opnieuw verzocht om schorsing van de beschikking van 6 februari 2019 en verzocht te bepalen dat hij voor de duur van de procedure een bedrag van € 25,- per kind aan kinderalimentatie voldoet. De vrouw heeft zich daartegen verweerd.

Op 25 juni 2020 heeft de mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Tijdens die mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoeken aldus gewijzigd dat hij het hof heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie met ingang van 15 november 2018 tot en met 4 april 2019 vast te stellen op € 25,- per maand voor beide kinderen en met ingang van 5 april 2019 op een bedrag van € 89,- per maand voor beide kinderen. Ondanks bezwaar daartegen van de vrouw, heeft het hof kennelijk deze wijziging gehonoreerd.

Bij beschikking van 18 augustus 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen voldoet:

- € 51,- per kind per maand met ingang van 15 november 2018;

- € 75,- per kind per maand met ingang van 4 april 2019;

- € 86,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2020;

De na de beschikking verschuldigde toekomstige termijnen moeten telkens bij vooruitbetaling worden voldaan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het in hoger beroep meer of anders verzochte is afgewezen.

Kort samengevat heeft het hof het volgende overwogen:

 de ingangsdatum van de kinderalimentatie van 15 november 2018 is niet in geschil, zodat die tot uitgangspunt wordt genomen (rov. 5.4);

 de behoefte van de kinderen is bepaald op € 504,- per maand in 2016 (geïndexeerd naar 2018: € 522,- per maand, 2019: € 533,- per maand en 2020: € 546,- per maand), waarbij het hof is uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen ten tijde van de samenleving in 2016 van € 2.323,- netto per maand, inclusief het kindgebonden budget van € 838,- per jaar (rov. 5.6);

 bij het bepalen van het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen is door partijen meegedeeld dat de draagkracht van [betrokkene 1] buiten beschouwing zal blijven, hoewel hij onderhoudsplichtig is (rov. 5.7);

 de draagkracht van de man is bepaald op (rov. 5.8):

o € 116,- per maand voor de periode van 15 november 2018 tot 4 april 2019;

o € 150,- per maand voor de periode van 4 april 2019 tot 1 januari 2020;

o € 171,- per maand met ingang van 1 januari 2020;

 de draagkracht van de vrouw is bepaald op (rov. 5.9):

o € 480,- per maand voor de periode van 15 november 2018 tot 4 april 2019, uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van € 2.294,- per maand;

o € 332,- per maand voor de periode van 4 april 2019 tot 1 januari 2020, uitgaande van een netto besteedbaar inkomen van € 2.036,- per maand;

o € 316,- per maand met ingang van 1 januari 2020, uitgaande van hetzelfde inkomen als over de voorgaande periode;

 in het kader van de draagkrachtvergelijking is vastgesteld dat partijen in 2019 en 2020 over onvoldoende draagkracht beschikken om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. Aangezien in 2018 de draagkracht van partijen voldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien, is op basis van een vergelijking van de draagkracht over de periode van 15 november 2018 tot 4 april 2019 de bijdrage van de man vastgesteld op € 102,- per maand en die van de vrouw op € 420,- per maand (rov. 5.1);

 er vindt geen omgang plaats en niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen, zodat geen rekening wordt gehouden met een zorgkorting aan de zijde van de man (rov. 5.11).

De man heeft tegen deze beschikking – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel bevat drie klachten. De klachten I en II gaan over de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen door het hof en klacht III heeft betrekking op de draagkracht van de moeder.

Voordat ik de klachten bespreek, bespreek ik het juridisch kader van de zaak.

Kinderalimentatie: wettelijke maatstaven (draagkracht en behoeften kind)

Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen (art. 1:404 lid 1 BW). De contractsvrijheid van de ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven, zo besliste de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 1 november 2019. Dat betekent dat de rechter niet gebonden is aan wat de ouders over kinderalimentatie onderling overeen zijn gekomen, als die afspraken ertoe leiden dat niet ten minste is voldaan aan de wettelijke maatstaven. Daarmee is een beding dat inhoudt of ertoe strekt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie, nietig op grond van art. 3:59 BW in verbinding met art. 3:40 lid 1 BW. Voor zover een niet-wijzigingsbeding inhoudt of ertoe strekt dat een afname van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een lagere kinderalimentatie, is dit beding in beginsel níet in strijd met de regel dat kinderalimentatie ten minste aan de wettelijke maatstaven moet voldoen, en kan aan dit beding rechtsgevolg toekomen.

Art. 1:397 lid 1 BW bepaalt dat bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud enerzijds rekening wordt gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon. Wat behoefte en draagkracht precies inhouden, is in de wet niet gedefinieerd. Het zijn open begrippen. Daarmee heeft de rechter een zekere beoordelingsruimte bij de invulling van deze begrippen.

Aanbevelingen Expertgroep Alimentatienormen

In de jurisprudentie is wel enige invulling gegeven aan de begrippen draagkracht en behoefte. Ook geeft de Expertgroep Alimentatienormen al sinds 1979 – niet bindende – aanbevelingen voor de bepaling van de behoefte en draagkracht. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de behoefte van een kind over het algemeen niet beperkt is tot het bestaansminimum. De behoefte dient te worden bepaald naar de individuele omstandigheden van het kind, waarbij het welvaartsniveau tijdens het huwelijk een rol speelt. Het gaat om wat het kind in redelijkheid behoeft, mede gelet op wat een gezin dat in soortgelijke omstandigheden verkeert, pleegt uit te geven.

Bij de bepaling van de draagkracht dienen de financiële middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, waarover hij had kunnen beschikken en/of hetgeen hij redelijkerwijs in de naaste toekomst kan verwerven in aanmerking te worden genomen, verminderd met de lasten die de onderhoudsplichtige heeft om in eigen levensonderhoud of het levensonderhoud van diegene jegens wie hij onderhoudsplichtig is te kunnen voorzien. De rechter moet een eerste vaststelling van kinderalimentatie en een verzoek om wijziging van een eerder overeengekomen of in een beschikking vastgelegde kinderalimentatie zelfstandig en met inachtneming van de wettelijke maatstaven draagkracht en behoefte beoordelen.

Voor de bepaling van de behoefte gaat het rapport Alimentatienormen sinds 1994 uit van een systeem waarbij aan de hand van een op studies van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) gebaseerde tabel kan worden bepaald wat ouders in een vergelijkbare gezinssituatie en met een vergelijkbaar inkomen buiten het bedrag van de kinderbijslag plegen uit te geven aan een kind (de zogenoemde tabelbehoefte). De behoefte wordt bepaald op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van de ouders, de leeftijd en het aantal tot het gezin behorende kinderen, waarna gecorrigeerd kan worden voor eventuele bijzondere kosten. Onder het inkomen valt, aldus het Rapport (mijn onderstreping):

Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto besteedbare inkomen (NBI) wordt in de regel gevormd door de middelen die de ouder(s) gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van de samenleving of – in geval van stijging van het inkomen na het verbreken van de samenleving – nadien ter beschikking staan, dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het NBI kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Wel dient rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget waar recht op bestond ten tijde van de samenleving. Dit dient bij de ouder die deze bijdrage ontving te worden opgeteld bij diens inkomen. (…).

Nadat het netto besteedbaar gezinsinkomen is vastgesteld, waarbij dus rekening is gehouden met het kindgebonden budget waarop recht bestond in de periode dat het netto gezinsinkomen is berekend, wordt aan de hand van leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen het aantal punten in tabel 1 van de behoeftetabel bepaald. Op basis van het netto besteedbare gezinsinkomen en het aantal punten, kan uit de tabel het eigen aandeel ouders in de kosten van de kinderen worden vastgesteld.

Kindgebonden budget

Met ingang van 1 januari 2009 is het kindgebonden budget ingevoerd. Het kindgebonden budget vervangt de kindertoeslag. Het kindgebonden budget is een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen (art. 1b Wet op het kindgebonden budget (Wkb)). Gezinnen met kinderen jonger dan 18 jaar hebben mogelijk recht op een kindgebonden budget. Om in aanmerking te komen voor het kindgebonden budget moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. Zo is vereist dat de ouder voor een kind kinderbijslag dient te krijgen op grond van art. 18 Algemene Kinderbijslagwet (art. 2 lid 1 Wet op het kindgebonden budget). Daarnaast is de hoogte van het kindgebonden budget afhankelijk van het aantal kinderen, de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, en de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen (art. 1 lid 2 Wet op het kindgebonden budget). Zowel het inkomen als het vermogen van de ouder en de eventuele toeslagpartner is hierbij van belang. Als het (gezamenlijk) toetsingsinkomen hoger is dan het drempelinkomen, wordt het kindgebonden budget geleidelijk minder. Voor iedere € 100,- boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 6,75 lager. De aanspraak op een kindgebonden budget wordt voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald (art. 2 lid 10 Wet kindgebonden budget).

Per 1 januari 2015 is door de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen het bedrag van het kindgebonden budget verhoogd. De alleenstaande ouder kan daar bovenop een zogenoemde alleenstaande ouderkop ontvangen.

In de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2013 heeft de Expertgroep Alimentatienormen (destijds: Werkgroep Alimentatienormen) aanbevolen om het kindgebonden budget in het kader van berekening van kinderalimentatie in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangen. Met ingang van 1 januari 2013 heeft de Expertgroep aanbevolen om het kindgebonden budget in mindering te brengen op de behoefte van het kind. Met de invoering van voormelde Wet hervorming kindregelingen kon dit ertoe leiden dat de, voor de berekening van de alimentatie vast te stellen, behoefte van het kind sterk verminderde met als gevolg een dienovereenkomstige verlaging van de door de niet-verzorgende ouder te betalen alimentatie. Om die reden werd de aanbeveling niet door alle gerechten gevolgd en heeft het hof Den Haag prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. In zijn prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad op 9 oktober 2015 in antwoord op aan hem gestelde prejudiciële vragen het volgende antwoord gegeven:

“4.1. Bij de vaststelling van de door de ouders verschuldigde onderhoudsbijdrage voor hun minderjarige kinderen dienen het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

4.2 Er dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen de alleenstaande ouderkop en het overige deel van het kindgebonden budget.“

Van belang is dat het in de toen aan de Hoge Raad voorgelegde zaak ging om het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende ‘alleenstaande ouderkop’, dat een ouder ontvangt na het uiteengaan. Dit bedrag aan kindgebonden budget moet dus niet in mindering worden gebracht op de (tabel)behoefte, maar moet worden opgeteld bij de draagkracht van de ouder die daarop aanspraak maakt.

In een latere uitspraak heeft de Hoge Raad beslist dat dit oordeel in de prejudiciële beslissing niet alleen betrekking had op de regeling van het kindgebonden budget met alleenstaande ouderkop zoals deze geldt sinds de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen, maar ook op de regeling van het kindgebonden budget zoals die vóór 1 januari 2015 gold.

Bespreking van de klachten

In klacht I betoogt de man dat het hof in rov. 5.10 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de behoefte van de minderjarigen in 2016 te verhogen met het kindgebonden budget. De man verwijst daarbij naar HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011.

Het hof heeft in rov. 5.6 vastgesteld dat partijen in 2016 op basis van het bruto jaarinkomen van de vrouw van € 34.992,- en een kindgebonden budget van € 838,- per jaar, een NBI hadden van € 2.323,- per maand. Dit resulteert in een behoefte van beide kinderen in 2016 van € 504,- per maand (geïndexeerd naar 2018: € 522,- per maand; naar 2019: € 533,- per maand en naar 2020: € 546,- per maand). Dit is de zogenoemde tabelbehoefte. Anders dan de man aanvoert volgt uit de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 niet dat deze overweging onjuist is. Die uitspraak heeft namelijk betrekking op het kindgebonden budget dat de ouder ontvangt na het uiteen gaan van partijen. In rov. 5.6 heeft het hof echter het NBI tijdens de samenleving van partijen bepaald om aan de hand daarvan de tabelbehoefte van de kinderen vast te stellen. Dit is in overeenstemming met de werkwijze volgens het Rapport Alimentatienormen (zie onder 2.7). Het hof is dan ook niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

Hiermee faalt de klacht.

In klacht II wordt betoogd dat het hof bij de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend. In de beschikking van de rechtbank was de kinderalimentatie vastgesteld op € 200,- per maand per kind. In hoger beroep heeft de man aangevoerd dat de behoefte van de kinderen tezamen moet worden vastgesteld op € 400,-per maand in 2016. Daartegenover heeft de vrouw gesteld dat de behoefte van de kinderen in 2016 € 460,- per maand bedraagt. Hiermee kon het hof de behoefte van de kinderen slechts vaststellen op een bedrag gelegen tussen de € 400,- en € 460,- per maand in 2016. Het door het hof vastgestelde bedrag van € 504,- aan behoefte van de kinderen in 2016 ligt hier boven. Deze onjuiste vaststelling werkt ook door in de vaststelling van de behoefte van de kinderen in de daarop volgende jaren.

Voor deze klacht geldt het volgende. De klacht voert met juistheid aan dat de man in hoger beroep is uitgegaan van een behoefte van de kinderen tezamen in 2016 van € 400,- per maand en de vrouw van € 460,- per maand. Dat betekent echter niet dat het hof gehouden was om de behoefte van de kinderen vast te stellen op een bedrag tussen de € 400,- en € 460,- per maand, zoals het middel aanvoert. De rechter heeft immers een zelfstandige taak om de kinderalimentatie vast te stellen op een zodanig bedrag, dat de kinderalimentatie ten minste aan de wettelijke maatstaven voldoet. Dat volgt uit de hiervoor onder 2.3 genoemde beslissing van de Hoge Raad van 1 november 2019, dat de rechter niet gebonden is aan een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie dat inhoudt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie. Hieruit is af te leiden dat de rechter niet gebonden is aan een door partijen gestelde behoefte van de kinderen, als die behoefte lager is dan volgens de wettelijke maatstaven heeft te gelden.

Weliswaar zijn er enkele uitspraken waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de appelrechter de grenzen van de rechtsstrijd had overschreden door in hoger beroep de kinderalimentatie op een ander bedrag vast te stellen dan binnen de grenzen van de door de man respectievelijk de vrouw verdedigde hoogte van de kinderalimentatie. In die zaken had het hof de kinderalimentatie echter lager vastgesteld dan de rechtbank, terwijl geen incidenteel appel was ingesteld. Dat dat de appelrechter niet is toegestaan, is in lijn met het in de uitspraak van de Hoge Raad van 1 november 2019 gegeven oordeel, dat een niet-wijzigingsbeding (in beginsel) niet nietig is, voor zover dat inhoudt dat een afname van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een lagere kinderalimentatie. Hieruit volgt immers dat het partijen (in beginsel) vrijstaat om afspraken te maken over kinderalimentatie op een hoger bedrag dan volgens de wettelijke normen. Daarbij past dat het niet aan de rechter is om ambtshalve in te grijpen op de grond dat de kinderalimentatie te hoog zou zijn vastgesteld, als de betrokken ouder daartegen in hoger beroep niet opkomt.

Het voorgaande betekent dat ook deze klacht faalt.

Klacht III heeft betrekking op de draagkracht van de vrouw. In de kern klaagt de man dat het hof had moeten motiveren waarom het – ondanks het ontbreken van enig bewijs aan de kant van de vrouw – niet het kindgebonden budget heeft opgeteld bij de draagkracht van de vrouw. De stelling van de man dat de vrouw wel een kindgebonden budget heeft ontvangen, althans dat de vrouw niet heeft aangetoond met bewijsstukken dat zij sinds december 2018 geen recht meer heeft op kindgebonden budget, moet in het kader van de rechtsstrijd in hoger beroep worden aangemerkt als een essentiële stelling, waaraan het hof niet zonder motivering voorbij had mogen gaan, aldus de man. Bovendien meent de man dat dit oordeel van het hof tegenstrijdig met het meenemen van de berekening van de behoefte van de kinderen.

Vast staat dat de vrouw op 10 december 2018 in het huwelijk is getreden met [betrokkene 1] . Dit betekent dat in ieder geval met ingang van die datum de aanspraak op de alleenstaande ouderkop, die in 2018 € 3.101,- bedroeg, is komen te vervallen. Het maximale bedrag aan kindgebonden budget in 2018 voor de vrouw bedroeg dan ook € 2.129,-. Dit bedrag aan kindgebonden budget wordt, zoals hiervoor weergegeven (onder 2.9), afgebouwd vanaf een (gezamenlijk) toetsingsinkomen, dat in 2018 € 20.451,- bedroeg, met 6,75% van het verschil tussen het feitelijke gezamenlijke toetsingsinkomen en € 20.451,- (art. 2 lid 7 Wet kindgebonden budget). Dit betekent dat in de situatie van de vrouw bij een gezamenlijk toetsingsinkomen van de vrouw en een inkomen van [betrokkene 1] van € 51.991,- per jaar, geen aanspraak meer kon worden gemaakt op kindgebonden budget. Het hof heeft het inkomen van de vrouw in totaal begroot op € 32.495,-. Gezien de stukken die de vrouw heeft overgelegd ter zake van het inkomen van [betrokkene 1] in 2019, in welk jaar hij blijkens de (onbestreden) verklaringen van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling minder is gaan werken, is het aannemelijk dat de vrouw en [betrokkene 1] in 2018 niet meer in aanmerking kwamen voor een kindgebonden budget. Onder deze omstandigheden hoefde het hof niet in te gaan op de stelling van de man dat de vrouw had moeten aantonen dat zij niet langer aanspraak maakt op het kindgebonden budget. Het oordeel is ook niet tegenstrijdig met het oordeel van het hof om het kindgebonden budget mee te nemen bij de bepaling van het netto gezinskomen. Het hof heeft in zijn beschikking voldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die aan zijn beslissing over de draagkracht van de vrouw ten grondslag ligt. Ook klacht III slaagt niet.

Nu alle klachten falen, moet het cassatieberoep worden verworpen.

Bij de Hoge Raad is op 18 november 2020 een brief van de man van 17 november 2020 ingekomen, getiteld “Melding van discriminatie in de cassatieprocedure tegen de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 18 augustus 2020 (…)”. Daarin voert de man aan dat hij door het hof Amsterdam en door zijn eigen advocaten wordt gediscrimineerd en dat hem het recht op effectieve toegang tot de cassatierechter is ontnomen. Hij verzoekt de Hoge Raad om hem deze toegang te waarborgen op grond van art. 6 EVRM in samenhang met art. 14 en art. 13 EVRM, en de door hem in zijn brief aangevoerde klachten mee te nemen in het cassatieberoep. Nu deze brief niet door tussenkomst van een advocaat aan de Hoge Raad is toegestuurd, kan daarop geen acht worden geslagen.

Ten overvloede merk ik op dat de door de man aangevoerde klachten inhoudelijk niet opgaan. Klacht I, die inhoudt dat ten onrechte niet is gekeken naar het inkomen van [betrokkene 1] , slaagt niet. Uit het proces-verbaal, p. 8 blijkt immers dat de advocaat van de man in hoger beroep heeft ingestemd met het buiten beschouwing laten van [betrokkene 1] . Ook klacht II, “Beroep op fundamentele rechten”, slaagt niet. Met juistheid heeft het hof geoordeeld dat de herstelfunctie van het hoger beroep met zich meebrengt dat een eventuele schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de rechtbank in hoger beroep is hersteld. De door de man gestelde schade door het loonbeslag van het LBIO, is geen onderwerp van deze procedure, zodat de klachten daarover geen bespreking behoeven. Ook de klacht dat door de verklaring van zijn advocaat sprake is van discriminatie en strijd met art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, slaagt niet. Verder kan ook niet worden gezegd dat de procedure bij het hof in het geheel niet eerlijk is geweest. Nadat het beroepschrift bij het hof is ingekomen, heeft het hof bij brief van 13 mei 2019 aan de advocaat van de man bericht dat het hof de zaak pas verder in behandeling neemt, indien alle stukken uit eerste aanleg zijn overgelegd. Dat daarbij eveneens is ook verzocht om een proces-verbaal van de mondelinge behandeling(en) bij de rechtbank is begrijpelijk, aangezien het hof door het ontbreken van de stukken uit eerste aanleg niet op de hoogte was of er een al dan niet een mondelinge behandeling had plaatsgevonden bij de rechtbank. Aangezien het hof de zaak heeft verplaatst op verzoek van de advocaat van de man, van wie een familielid was overleden, zie ik geen aanleiding om in te gaan op de klacht van de man daarover. Nu de executiegeschillen niet in cassatie voorliggen, kunnen ook de klachten die daarop betrekking hebben niet slagen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?