HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 15/03277 B
Datum 14 september 2021
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag van 7 juli 2015, nummer RK 15/2063, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[belanghebbende],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de belanghebbende.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft M.D. Rijnsburger, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag opdat de zaak op de vordering tot onttrekking aan het verkeer opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank geen geldelijke tegemoetkoming heeft toegekend bij de onttrekking aan het verkeer van een personenauto.
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel is het van belang dat de Hoge Raad kan kennisnemen van wat er tijdens het onderzoek in raadkamer aan de orde is geweest. Bij de stukken van het dossier bevindt zich echter niet het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer. Uit door de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen bij de rechtbank blijkt dat daar geen documenten meer beschikbaar zijn in deze zaak.
Nu er geen proces-verbaal van dat onderzoek beschikbaar is, kan niet worden beoordeeld of het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De beschikking van de rechtbank kan daarom niet in stand blijven.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2021.