HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02747
Datum 2 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2020, nummer 21-006430-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over de tenlastegelegde belediging van [verbalisant 2] en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping van het verweer dat de in enkelvoud geuite beledigende woorden “arrogante kankerlijer” niet waren gericht tegen verbalisant [verbalisant 2].
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. zij op 26 juni 2016 te Hilversum, opzettelijk ambtenaren, [verbalisant 2], aspirant van politie Eenheid Midden-Nederland, en [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “Arrogante kankerlijer!” en door [verbalisant 1] de woorden toe te voegen: “Ik heb je moeder in haar kut geneukt!’;
2. zij op 26 juni 2016 te Hilversum, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 3], hoofdagent bij de politie Eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten belast met toezicht in het horecagebied, door tegen haar linkerhand te trappen en tegen haar rechterbeen te trappen, terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een onderhuidse bloeding en een kneuzing en een blauwe plek bij die [verbalisant 3] ten gevolge heeft gehad.”
Het in het cassatiemiddel bedoelde verweer en de verwerping daarvan zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 7.
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als 1) “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” en 2) “wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft”. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 500 met een proeftijd van één jaar.
Het cassatiemiddel stelt dat uit de gebruikte bewijsmiddelen de tenlastegelegde belediging van [verbalisant 2] niet kan worden afgeleid. De juistheid van deze stelling kan in het midden blijven. Ook als deze klacht gegrond zou zijn, leidt dit bij gebrek aan belang niet tot cassatie, omdat de aard en de ernst van hetgeen is bewezenverklaard in hun geheel beschouwd niet worden aangetast indien de belediging van [verbalisant 2] uit de bewezenverklaring zou vervallen.
Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.
3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 november 2021.