ECLI:NL:HR:2021:224

ECLI:NL:HR:2021:224, Hoge Raad, 12-02-2021, 20/01028

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 12-02-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/01028
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2020:1109
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2019:10986
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Procesrecht. Niet-ontvankelijkheid van cassatieberoep tegen tussenbeschikking. Art. 426 lid 4 Rv; art. 401a lid 2 Rv. HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578 en HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest op huwelijkse voorwaarden.

(ii) Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren: een zoon in 1999, een dochter in 2001 en een zoon in 2003 (de twee laatstbedoelde kinderen hierna gezamenlijk: de minderjarigen).

(iii) Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 19 juni 2018 in de registers van de burgerlijke stand.

In dit geding heeft de vrouw verzocht de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen. Voorts heeft zij verzocht om het vaststellen van kinder- en partneralimentatie en heeft zij, kort gezegd, een verzoek gedaan met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden. De man heeft verzocht om het vaststellen van een informatieregeling ten aanzien van de minderjarigen.

Bij de hiervoor in 2.1 onder (iii) genoemde beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw bepaald en een informatieregeling vastgesteld. Voor het overige heeft de rechtbank de zaak aangehouden, derhalve wat betreft de verzoeken om kinder- en partneralimentatie en wat betreft het verzoek met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden.

Het hof heeft vastgesteld (in rov. 2.2) dat het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de kinder- en partneralimentatie (zaaknummer 200.247.637/01) en de huwelijkse voorwaarden (zaaknummer 200.248.115/01). In het dictum heeft het hof, voor zover thans van belang, in zaaknummer 200.247.637/01 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen. In zaaknummer 200.248.115/01 heeft het hof de zaak aangehouden.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De hiervoor in 2.2.2 genoemde beschikking van de rechtbank is wat betreft de beslissing omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de informatieregeling een eindbeschikking, nu de rechtbank door een uitdrukkelijk dictum voor dat gedeelte van het verzochte een einde aan het geding heeft gemaakt. De beschikking van de rechtbank is wat betreft de beslissing omtrent de kinder- en partneralimentatie en de huwelijkse voorwaarden een tussenbeschikking, nu de rechtbank de beslissing ten aanzien van die gedeelten van het verzochte heeft aangehouden.

Het hof heeft in zaaknummer 200.247.637/01 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Nu de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie een tussenbeschikking is, is naar vaste rechtspraak ook de beschikking van het hof in zoverre een tussenbeschikking. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de informatieregeling heeft de beschikking van het hof te gelden als een eindbeschikking.

De cassatieklachten van de man hebben uitsluitend betrekking op de kinder- en partneralimentatie en zijn derhalve uitsluitend gericht tegen het gedeelte van de uitspraak van het hof dat als tussenbeschikking heeft te gelden. Ingevolge art. 426 lid 4 Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv kan cassatieberoep tegen dit gedeelte slechts worden ingesteld tegelijk met cassatieberoep tegen de eindbeschikking, aangezien het hof niet anders heeft bepaald en de andere in art. 401a Rv vermelde uitzondering evenmin van toepassing is. Nu de man niet ook klachten heeft gericht tegen het gedeelte van de uitspraak van het hof dat als eindbeschikking heeft te gelden, is hij derhalve niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.H. Sieburgh en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 12 februari 2021.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2021/582 NJ 2021/62 RvdW 2021/208 JBPr 2021/49 met annotatie van Wiersma, H.W.
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?