PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02988
Zitting 6 september 2024
CONCLUSIE
S.D. Lindenbergh
In de zaak
[de man]
tegen
[de vrouw]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de man of verzoeker, en de vrouw.
1. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De man heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld van een beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het hof) van 15 mei 2024.
In die beschikking heeft het hof de tussenbeschikking van 5 december 2022 van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht), waarin de vrouw ontvankelijk werd verklaard in haar echtscheidingsverzoek en iedere verdere beslissing werd aangehouden, bevestigd en de zaak terugverwezen ter verdere behandeling en beslissing. Het hof had op verzoek van de man bij beschikking van 9 mei 2023 vergunning verleend voor tussentijds hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 5 december 2022 van het Gerecht.
Art. 426 lid 4 in verbinding met art. 401a Rv bepaalt wanneer van beschikkingen van een hof cassatie kan worden ingesteld: tenzij de rechter anders heeft bepaald, kan van een tussenbeschikking slechts tegelijk met dat van een eindbeschikking cassatieberoep worden ingesteld. Ingevolge art. 1 lid 1 Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (‘Rijkswet’), neemt de Hoge Raad ten aanzien van burgerlijke zaken in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in overeenkomstige gevallen als bij burgerlijke zaken in het Europese deel van het koninkrijk kennis van een beroep in cassatie, ingesteld hetzij door partijen, hetzij “in het belang der wet” door de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Volgens de toelichting bij de Rijkswet is daarmee ook uitdrukkelijk bedoeld om het verlofstelsel voor tussentijds cassatieberoep uit art. 401a en 426 lid 4 Rv op Caribische burgerlijke zaken toe te passen, nu dat (blijkens diezelfde toelichting) in het oude art. 3 Cassatieregeling niet het geval was en dat artikel juist daarom werd geschrapt.
De thans in cassatie bestreden beschikking van het hof van 15 mei 2024 is een tussenuitspraak, omdat het dictum van die beschikking niet een beslissing inhoudt die ten opzichte van (een van) de betrokken partijen is aan te merken als een beslissing waarmee aan het geding omtrent enig deel van het door de vrouw verzochte een einde wordt gemaakt. Als in de hoofdzaak een incident wordt opgeworpen en de rechter doet daarop uitspraak, is dit ook te beschouwen als een tussenuitspraak. Van een tussenvonnis is bijvoorbeeld sprake in een geval waarin een rechter in incident een beroep op zijn onbevoegdheid verwerpt. Ten aanzien van het arrest dat dat vonnis in stand laat is dan sprake van een tussenarrest.
Uit de beschikking van het hof blijkt niet dat het hof cassatieberoep van zijn beschikking heeft opengesteld in de zin van art. 401a lid 2 Rv. (Voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep is niet voldoende is dat het hof, zoals hiervoor onder 1.2 is vermeld, destijds had vergund om hoger beroep in te stellen van de beschikking van het Gerecht.) In het dossier heb ik ook verder niets aangetroffen wat op een dergelijk verlof duidt.
De man is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
2. Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G