HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/05716
Datum 2 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 maart 2010, nummer 22-003378-09, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend.
Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 10. Daaruit volgt onder meer dat de uitspraak van het hof bij verstek is gewezen. Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn verder de volgende aan de Hoge Raad gezonden stukken relevant:
(i) een proces-verbaal van verhoor door de politie van 2 juni 2009 dat inhoudt:
“Op dinsdag 2 juni 2009, (...), hoorde ik,
(...), brigadier van politie Zuid-Holland-Zuid, (...) als verdachte een man die opgaf te zijn:
[verdachte] geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats]adres [a-straat 1] te [plaats] .”
(ii) een GBA-overzicht van 31 december 2009 dat inhoudt dat van de verdachte geen GBA-adres bekend is en dat hij niet gedetineerd is;
(iii) het dubbel van de appeldagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting van 10 maart 2010;
(iv) een akte van uitreiking die inhoudt dat de onder (iii) genoemde appeldagvaarding op 31 december 2009 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat “van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is”.
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de appeldagvaarding op de voet van artikel 588 lid 2 (oud) van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is verzonden naar het van de verdachte bekende adres in het Verenigd Koninkrijk, te weten [a-straat 1] te [plaats] , zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd.
Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een basisregistratie personen en niet in Nederland is gedetineerd, en van hem ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland maar wel een adres in het buitenland bekend is, vindt de betekening van de dagvaarding plaats door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatst bekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (artikel 588 lid 2 (oud) Sv). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.19.)
Uit de onder 2.2.1 genoemde stukken moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de appeldagvaarding niet was gedetineerd en dat van hem niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland maar wel het in het proces-verbaal van verhoor vermelde adres in het Verenigd Koninkrijk bekend was. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, is het kennelijke oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, niet toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad zal de appeldagvaarding nietig verklaren.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste, het derde en het vierde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de appeldagvaarding nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2021.