HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/00418
Datum 9 maart 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 5 februari 2020, nummer 22-000717-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen inzake de duur van de gijzeling, dat de Hoge Raad de duur van de gijzeling inzake de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen kan verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de (totale) duur van de gijzeling ten onrechte op meer dan 360 dagen heeft bepaald.
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de in het arrest vermelde bedragen van respectievelijk € 48.523,71, € 5.000,00 en € 1.525,17 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 277, 60 en 25 dagen gijzeling.
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar.
Het hof heeft arrest gewezen op 5 februari 2020. Om redenen zoals vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 22 en 23 werd in de periode tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020 in dit verband onder ‘jaar’ verstaan een tijd van 360 dagen. Daaruit volgt dat het cassatiemiddel terecht is voorgesteld. De Hoge Raad zal zelf de duur van de gijzeling aldus verminderen dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van 276 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 2] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van 59 dagen kan worden toegepast;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2021.