HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/03918
Datum 6 april 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 augustus 2019, nummer 21-000180-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. Schreudering, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak ten einde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat het de straf voor het onder 1 bewezenverklaarde kon ‘bepalen’ en niet gebonden was aan de motiveringseisen van artikel 358 en artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Het voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde proces-verloop is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 10. Daaruit blijkt dat:(i) de verdachte bij arrest van 16 februari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en hij beroep in cassatie heeft ingesteld;(ii) de Hoge Raad bij zijn arrest van 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2094, dit arrest van het hof heeft vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, met terugwijzing van de zaak naar het hof, “opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan”;(iii) het hof, dat na terugwijzing door de Hoge Raad heeft geoordeeld, de verdachte ter zake van feit 2 heeft ontslagen van alle rechtsvervolging en op grond van artikel 423 lid 4 Sv de straf voor het onder 1 bewezenverklaarde (hierna: feit 1) heeft bepaald op een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Verder blijkt uit het onder 2.2.1 onder (ii) vermelde arrest van de Hoge Raad niet van enige voor de terugwijzingsrechter van belang zijnde beperking van het cassatieberoep.
De rechter naar wie de Hoge Raad na (gedeeltelijke) vernietiging van een uitspraak de zaak heeft verwezen of teruggewezen, is gebonden aan de beslissing die de Hoge Raad heeft gegeven (vgl. HR 27 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2500). Dit brengt mee dat het hof - gelet op de omvang van het cassatieberoep tegen de eerdere beslissing van het hof - op grond van de beslissing van de Hoge Raad de zaak opnieuw had moeten berechten en afdoen wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging. Door op de hiervoor onder 2.2.1 onder (iii) weergegeven wijze te beslissen heeft het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad miskend, voor zover het de straf voor feit 1 onder verwijzing naar artikel 423 lid 4 Sv heeft bepaald in plaats van voor feit 1 een straf op te leggen.
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de ‘strafbepaling’ ter zake het onder 1 bewezenverklaarde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat voor het onder 1 bewezenverklaarde alsnog een beslissing over de ‘strafoplegging’ wordt genomen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2021.