2. Uitgangspunten en feiten
Tussen partijen bestaat een geschil over het antwoord op de vraag of tussen hen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. [eisers] hebben in dit kort geding vorderingen ingesteld die zijn gegrond op een bevestigende beantwoording van deze vraag.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad.
Ritzenhoff c.s. hebben in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld als bedoeld in art. 235 Rv, tot het verbinden van de voorwaarde van zekerheidsstelling aan de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de voorzieningenrechter.
Het hof heeft deze vordering bij incidenteel arrest gedeeltelijk toegewezen.
[eisers] hebben het hof verzocht om op de voet van art. 401a lid 2 Rv tussentijds cassatieberoep open te stellen van zijn arrest. Dit verzoek heeft het hof afgewezen.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het arrest van het hof is een tussenarrest nu daarbij niet in het dictum een einde is gemaakt aan enig deel van het in de hoofdzaak gevorderde. Van tussenarresten staat op grond van art. 401a Rv alleen tussentijds cassatieberoep open, voor zover hier van belang, als dat beroep door de rechter is opengesteld op de voet van art. 401a lid 2 Rv – welk geval zich hier niet voordoet (zie hiervoor in 2.5) – of als daarbij een voorlopige voorziening is toegestaan of geweigerd (art. 401a lid 1 Rv).
[eisers] betogen dat het arrest van het hof moet worden aangemerkt als een arrest van de laatstgenoemde soort en dat daarvan dus tussentijds cassatieberoep openstaat op grond van art. 401a lid 1 Rv.
Dit betoog is ongegrond. Hoewel de op de vorderingen als bedoeld in de art. 234, 235 en 351 Rv te geven beslissingen naar hun aard ten hoogste gelden voor de duur van het geding en aldus zijn aan te merken als van voorlopige aard, zijn deze geen voorlopige voorziening (of weigering om die te geven) als bedoeld in de art. 223 en 401a lid 1 Rv. Zij betreffen immers slechts een modaliteit van de uitgesproken veroordeling. Van die beslissingen staat derhalve geen tussentijds cassatieberoep open op de voet van art. 401a lid 1 Rv.
[eisers] zijn dus niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ritzenhoff c.s. begroot op € 6.968,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 23 april 2021.