HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04410
Datum 27 september 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2020, nummer 21-000761-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel voert aan dat wat betreft de motivering van de bewezenverklaring ten onrechte is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 25 december 2017 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk een elektronische enkelband (RFID) en/of randapparatuur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dienst Vervoer en Ondersteuning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gebruiker en/of houder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 december 2017 te Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een elektronische enkelband (RFID) en/of randapparatuur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Dienst Vervoer en Ondersteuning toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.”
Daarvan heeft de politierechter in eerste aanleg de primair tenlastegelegde ‘verduistering’ bewezenverklaard.
Deze bewezenverklaring steunt op een in het vonnis van de politierechter opgenomen opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv. Deze opgave houdt in:
“- het proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 22 maart 2018 (pag. 21 t/m 33);
- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 november 2018, voor zover inhoudende:
V: Wat kun je vertellen wat er met de enkelband (...) is gebeurd?
A: (...) Ik heb hem in de Rijn gegooid (...). (...) heb ik door geknipt met een schaar” (p. 38).”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“8.2 Verdachte bekent:
(...)
Verweer
ECLI:NL:RBAMS:2019:3492:
De rechtbank acht mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, zoals hierna onder 4.4 is weergegeven. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het doorknippen van de enkelband gekwalificeerd dient te worden als vernieling, waardoor verdachte van de onder 3 als eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde verduistering zal worden vrijgesproken.
Vrijspraak primair!.”
Het hof heeft het vonnis van de politierechter onder meer wat betreft de bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde ‘verduistering’ bevestigd.
Artikel 359 lid 3 Sv luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
De politierechter heeft in zijn vonnis volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3, tweede volzin, Sv. Wat de raadsman van de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet anders worden opgevat dan dat hij vrijspraak heeft bepleit van het primair tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van artikel 359 lid 3 Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden als namens de verdachte op de terechtzitting vrijspraak is bepleit. Daarom had het hof het vonnis niet mogen bevestigen zonder de in artikel 423 lid 1 Sv bedoelde aanvulling van gronden, die bestaat uit de in artikel 359 lid 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
Dit leidt echter om de volgende redenen niet tot cassatie. Aan zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde ligt ten grondslag dat – kort gezegd – de verdachte een enkelband heeft verwijderd en dat hij zich van die enkelband heeft ontdaan, anders dan door teruggave aan de Dienst Vervoer en Ondersteuning. Uit wat hiervoor onder 2.2.3 is weergegeven volgt dat de verdachte die feitelijke gedragingen heeft bekend. Het onder 2.3 weergegeven namens de verdachte gevoerde verweer strekt er in de kern toe dat, uitgaande van die bekennende verklaring van de verdachte, de gedragingen moeten worden gekwalificeerd als vernieling en niet als verduistering. Het cassatiemiddel klaagt enkel over het volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Gelet op het voorafgaande heeft de verdachte onvoldoende belang bij cassatie en terugwijzing met het oog op een nieuwe behandeling van de zaak.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van twee weken zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2022.