HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02275
Datum 13 december 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 maart 2021, nummer 21-006753-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Greven, advocaat te Borne, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte. Het klaagt in het bijzonder dat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding te sturen naar het in de appelakte vermelde adres van de verdachte.
Bij de stukken bevinden zich:
- een akte van hoger beroep van 30 december 2019 waarin als adres van de verdachte is vermeld: [a-straat 1] in [plaats];
- een akte van uitreiking die inhoudt dat de woon- of verblijfplaats van de verdachte niet bekend is en dat die dagvaarding op 25 januari 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
- een informatiestaat SKDB-persoon van 6 april 2021 die inhoudt dat de verdachte vanaf 20 februari 2019 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft;
- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep dat inhoudt dat de verdachte daar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.
De vermelding van het adres [a-straat 1] in [plaats] in de akte van hoger beroep kan niet anders worden begrepen dan als de opgave van een adres in de zin van artikel 36g lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.
Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep aan dit adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van artikel 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736.)
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2022.