HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00310 B
Datum 25 januari 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2020, nummer RK 20/5193, op een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak
van
[belanghebbende] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de belanghebbende.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de belanghebbende. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam, teneinde de bestaande vordering opnieuw te beoordelen en af te doen.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
De rechtbank heeft op grond van een, ingevolge artikel 552f lid 2 Sv gedane, vordering van de officier van justitie een personenauto van de belanghebbende onttrokken aan het verkeer. De beschikking van de rechtbank houdt onder meer het volgende in:
“De beoordeling
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op 29 september 2020 is de auto in beslag genomen. Bij het openen van de laadruimte werd gezien dat er een verborgen ruimte in de auto zat. De auto bleek op 27 februari 2020 reeds eerder in beslag te zijn genomen omdat er een verborgen ruimte in het voertuig was aangebracht. Op 6 mei 2020 heeft beslagene een brief van de douane ontvangen met daarin de voorwaarden voor teruggave van het voertuig. Een medewerker van de douane was met beslagene naar een garagebedrijf gegaan voor een prijsopgave voor het verwijderen van de verborgen ruimte. De kosten bedroegen € 4.000.-. Beslagene vond dat teveel en zou er zelf voor gaan zorgen dat de verborgen ruimte zou worden verwijderd. Kennelijk heeft beslagene het voertuig teruggekregen voordat de ruimte was verwijderd. Beslagene verklaarde dat hij op 29 september 2020 een afspraak zou hebben gehad bij [A] voor het verwijderen van de verborgen ruimte. Beslagene had inderdaad een afspraak bij [A] voor het uitvoeren van een APK-keuring en wat laswerk. Men wist bij de garage echter niets over het verwijderen van een verborgen ruimte.
Het is een feit van algemene bekendheid dat speciaal in een auto aangebrachte verborgen ruimtes veelal worden gebruikt voor criminele doeleinden. De verborgen ruimtes maken dat de auto kennelijk is ingericht of toegerust om goederen aan het ambtelijke toezicht te onttrekken. Door de auto terug te geven, zouden criminele activiteiten in stand worden gehouden, dan wel gestimuleerd. Het ongecontroleerde bezit van een auto met een verborgen ruimte doet dan ook afbreuk aan een effectieve voorkoming en bestrijding van die criminele doeleinden en is daarom in strijd met het algemeen belang in de zin van artikel 36s Sr (de Hoge Raad begrijpt: artikel 36c en/of 36d Sr).
De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen.”
Artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden opgelegd:
(...)
4°. bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van het openbaar ministerie.”
In artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, Sr is de mogelijkheid geopend om voorwerpen op vordering van het openbaar ministerie bij afzonderlijke rechterlijke beschikking aan het verkeer te onttrekken. Die mogelijkheid is geschapen voor de gevallen waarin geen einduitspraak wordt gedaan of waarin de vervolging door een rechterlijke uitspraak tot een eind is gekomen. Gelet daarop is, zowel indien de officier van justitie tot vervolging is overgegaan als indien hij nog niet tot vervolging is overgegaan, maar ervan uitgaat hiertoe te zullen overgaan, deze niet-ontvankelijk in een vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv. De rechter moet daarom in zijn beschikking ervan blijk geven te hebben onderzocht of de zaak zal worden vervolgd, dan wel niet (meer) wordt vervolgd (vgl. HR 11 maart 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC1898 en HR 2 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6319).
Uit de beschikking van de rechtbank blijkt niet van een onderzoek als hiervoor onder 2.4.1 bedoeld. Het oordeel van de rechtbank dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vordering als bedoeld in artikel 552f lid 2 Sv is daarom ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2022.