ECLI:NL:HR:2022:495

ECLI:NL:HR:2022:495, Hoge Raad, 01-04-2022, 20/02791

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-04-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/02791
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2021:1007
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2020:2297
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 7 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0005289

Samenvatting

Procesrecht. Executeur roept erfgenamen als partij in het geding op grond van art. 118 Rv. Art. 4:145 BW. Ontvankelijkheid.

Uitspraak

2. Uitgangspunten en feiten

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder 1], [verweerster 2] en [verweerster 3] zijn de drie kinderen van [erlater] (hierna: erflater). [eiser] is de echtgenoot van [verweerster 2]. Erflater was veehouder, aanvankelijk alleen en sinds 1986 in een maatschap met [verweerder 1]. Erflater is in 1997 uit de maatschap getreden. Erflater en [verweerder 1] hebben toen afspraken gemaakt over de verdeling van het maatschapsvermogen.

(ii) Erflater heeft in 2011 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarbij [verweerster 3] benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder en executeur. Het testament vermeldt het volgende over haar taken en bevoegdheden:

“AFWIKKELINGSBEWIND/EXECUTEURSBENOEMING

Indien ik overlijd stel ik een (afwikkelings) bewind in over de erfdelen van mijn erfgenamen en benoem mijn jongste dochter [verweerster 3] tot bewindvoerder. Dit bewind wordt ingesteld in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van mijn nalatenschap. De bewindvoerder komen alle bevoegdheden toe, en uitsluitend die bevoegdheden, die nodig zijn om de bovenstaande verdeling tot stand te brengen, zonder medewerking of toestemming van de erfgenamen.

(…)

Taak executeur/bevoegdheid

De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, zoals het afgeven van legaten, het nakomen of uitvoeren van overeenkomsten en de voldoening van de kosten van mijn begrafenis of crematie, van eventuele taxatie- en boedelkosten en van de successierechten die ten laste komen van erfgenamen of legatarissen. (…)

Vertegenwoordiging

De executeur vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak mijn erfgenamen in en buiten rechte. (…)”

(iii) Daarnaast heeft erflater in dit testament bepaald:

“BENOEMING ERFGENAMEN

Ik sluit mijn zoon alsmede zijn afstammelingen uitdrukkelijk uit als erfgenaam/erfgenamen in mijn nalatenschap. Bovenstaande vindt haar oorzaak in het feit dat mijn zoon door mij in staat gesteld is het bedrijf van mij onder gunstige voorwaarden over te nemen waarbij er sprake is geweest van een zodanige bevoordeling van mijn zoon dat ik het niet gerechtvaardigd vind dat hij nog iets uit mijn nalatenschap verkrijgt waardoor de ongelijkheid tussen mijn zoon en beide overige kinderen nog groter wordt (…).”

(iv) Erflater heeft in 2013 [eiser], in plaats van [verweerster 3], benoemd tot afwikkelingsbewindvoerder en executeur. Voor het overige heeft erflater geen wijzigingen aangebracht in zijn testament van 2011.

(v) Erflater is in 2016 overleden.

(vi) Op grond van het testament van 2011 zijn [verweerster 2] en [verweerster 3] de erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

(vii) [eiser] heeft zijn benoeming als executeur en afwikkelingsbewindvoerder aanvaard.

(viii) [verweerder 1] heeft een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

[verweerder 1] vordert in conventie, voor zover in cassatie van belang, jegens [eiser] betaling van de legitieme portie. [eiser] vordert in reconventie, voor zover in cassatie van belang, een verklaring voor recht dat de legitieme portie van [verweerder 1] nihil bedraagt. De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

[eiser] heeft, onder vermelding van art. 118 Rv, in cassatie ook [verweerster 2] en [verweerster 3] als partij in het geding opgeroepen. [verweerster 2] en [verweerster 3] zijn verschenen en hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.

3. De ontvankelijkheid van het principale beroep voor zover gericht tegen [verweerster 2] en [verweerster 3]

Beoordeeld dient te worden of [eiser] ontvankelijk is in zijn beroep in cassatie voor zover dat is gericht tegen [verweerster 2] en [verweerster 3].

Vast staat dat erflater bij zijn hiervoor in 2.1 geciteerde testament [verweerder 1] heeft onterfd. Daarom is [verweerder 1] geen erfgenaam van erflater (art. 4:1 lid 2 BW). Wel is [verweerder 1] legitimaris (art. 4:63 lid 2 BW).

Art. 4:80 BW houdt in dat de legitimaris die aanspraak op de legitieme portie maakt, ter zake daarvan een vordering heeft op de gezamenlijke erfgenamen. De schuld ter zake van een legitieme portie waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt, is een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1, onder g, BW). Op grond van art. 4:144 lid 1 BW heeft de executeur tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen. De executeur vertegenwoordigt gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:145 lid 2 BW). De executeur treedt daarbij op als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen. Dat betekent dat de erfgenamen niet zelf als zodanig voor de nalatenschap kunnen optreden.

In het in 2.1 vermelde testament is overeenkomstig art. 4:145 lid 2 BW bepaald dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Aangezien de executeur tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen, heeft [verweerder 1] terecht [eiser] aangesproken tot voldoening van de legitieme portie. [verweerster 2] en [verweerster 3] worden als erfgenamen in dit geding vertegenwoordigd door [eiser] als executeur (zie hiervoor in 3.3).

[eiser] is daarom niet ontvankelijk in zijn cassatieberoep voor zover dit is gericht tegen [verweerster 2] en [verweerster 3].

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep voor zover gericht tegen [verweerder 1]

Onderdeel 1 van het middel in het principale beroep klaagt dat het hof ambtshalve op grond van art. 118 Rv de gelegenheid had moeten bieden om [verweerster 2] en [verweerster 3] in het geding te betrekken, omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

De klacht faalt gelet op hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overwogen.

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5. De ontvankelijkheid van het incidentele beroep

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overwogen, zijn [verweerster 2] en [verweerster 3] niet ontvankelijk in het door hen ingestelde incidentele cassatieberoep.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in het beroep voor zover gericht tegen [verweerster 2] en [verweerster 3];

- verwerpt het beroep voor zover gericht tegen [verweerder 1];

- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

- verklaart [verweerster 2] en [verweerster 3] niet-ontvankelijk in hun beroep;

- veroordeelt [verweerster 2] en [verweerster 3] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 1 april 2022.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2022/870 ERF-Updates.nl 2022-0127 RvdW 2022/362 NJ 2022/151 JIN 2022/70 met annotatie van Osch, I.W. van
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?