2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 1 november 2016 is [A] B.V. (hierna: [A]) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig.
(ii) [eiser 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [A].
(iii) [eiser 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiser 1].
Voor zover in cassatie van belang heeft de curator in dit geding gevorderd (i) voor recht te verklaren dat [eiser 1] en [eiser 2] hun taak als bestuurder, respectievelijk indirect bestuurder, van [A] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aansprakelijk zijn voor de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan (het tekort) in het faillissement van [A], en (ii) [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het tekort. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Over het beroep van [eisers] op matiging op grond van art. 2:248 lid 4 BW overwoog het hof in het eindarrest:
“3.27 [eisers] doet in (…) grief 4 een beroep op matiging van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk is op grond van artikel 2:248 lid 4 BW. Evenals de rechtbank ziet het hof echter geen aanleiding om over te gaan tot matiging. Er is sprake van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling en er is geen sprake van een onbelangrijk verzuim. Het is niet aannemelijk geworden dat er andere belangrijke oorzaken van het faillissement zijn geweest en er zijn evenmin aanwijzingen dat de boedel onjuist is afgewikkeld door de curator. Grief 4 slaagt daarom niet.”
3. Beoordeling van het middel
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat de opsomming van de collectieve matigingsgronden in art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW niet limitatief is. Het hof kon daarom niet volstaan met de constatering dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, dat geen sprake is van een onbelangrijk verzuim, dat niet aannemelijk is geworden dat er andere oorzaken van het faillissement zijn geweest en evenmin dat de curator de boedel onjuist heeft afgewikkeld. Het hof was immers ook gehouden om gemotiveerd in te gaan op een aantal in onderdelen 1.2 en 1.5 vermelde omstandigheden, aldus het onderdeel.
Art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW bepaalt dat de rechter het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn, kan verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond (art. 2:248 lid 4, tweede volzin, BW).
Zowel uit de tekst als uit de parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid 4, eerste volzin, BW blijkt dat de gronden voor vermindering van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn, in deze bepaling limitatief zijn opgesomd. De hiervoor in 3.1.1 genoemde klacht faalt dus.
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 13 mei 2022.