HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02376 C
Datum 19 september 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 10 februari 2022, nummer H 122/21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Valkenswaard, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde en tot zodanige op artikel 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof de officier van justitie, gelet op de ontoelaatbare beperking in de omvang van het appel, ten onrechte in het hoger beroep heeft ontvangen.
De procesgang is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11. Deze houdt in – kort samengevat – dat het gerecht de verdachte heeft veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde en hem heeft vrijgesproken van het in diezelfde zaak onder 1 primair en 3 primair en subsidiair tenlastegelegde en van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00102/21. De officier van justitie heeft tegen die uitspraak beperkt hoger beroep ingesteld. De uitspraak van het hof houdt over de omvang van dit hoger beroep het volgende in:
“Het hoger beroep is bij akte beperkt en richt zich conform die akte niet tegen de beslissingen aangaande feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Nu het hoger beroep zich wel expliciet richt tegen feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21, acht het Hof het aangewezen zowel feit 3 primair als feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 aan zijn oordeel te onderwerpen. Het vonnis waarvan beroep is derhalve aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 3 en het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde.”
Het hof heeft in het hoger beroep de verdachte vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde. Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de verdachte daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van vijftien maanden.
Daarnaast heeft het hof de straf voor de niet aan zijn oordeel onderworpen feiten, die door het gerecht waren bewezenverklaard, bepaald op een gevangenisstraf van veertien maanden.
Artikel 436 van het Wetboek van Strafvordering van Curaçao (hierna: SvC) luidt:
“1. Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.
2. Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”
Het tweede lid van artikel 436 SvC laat slechts een beperking van het hoger beroep toe tot een of meer ‘gevoegde zaken’. Het in de genoemde zaak onder 3 primair respectievelijk subsidiair tenlastegelegde valt echter niet aan te merken als ‘gevoegde zaken’ in de zin van artikel 436 lid 2 SvC. De beperking van het hoger beroep die de officier van justitie heeft aangebracht in relatie tot het in de genoemde zaak onder 3 tenlastegelegde, is dan ook niet mogelijk. Het hof had daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten verklaren in het ingestelde hoger beroep met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde (vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6561, rechtsoverweging 2.7, eerste alinea, over artikel 407 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering). In zoverre slaagt het cassatiemiddel.
Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het gehele hoger beroep bestond in dit geval geen aanleiding, nu de onder 2.4.1 bedoelde ontoelaatbare beperking het hof niet beperkte in de beoordeling van het andere tenlastegelegde feit waartoe het hoger beroep zich uitstrekte (het feit in de zaak met parketnummer 555.00102/21). In zoverre is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en – met vernietiging van de uitspraak van het hof voor zover het betreft de beslissingen op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde – de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste en het derde cassatiemiddel niet nodig.
4. Gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad voor de tenuitvoerlegging
De hierna vermelde beslissing van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat de gevangenisstraf van vijftien maanden die het hof aan de verdachte heeft opgelegd, evenals de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen, niet in stand blijven. Daarentegen blijft de gevangenisstraf van veertien maanden, die het hof heeft bepaald voor (kort gezegd) de feiten waarvoor het gerecht de verdachte heeft veroordeeld en waartegen het hoger beroep van de officier van justitie niet was gericht, in stand.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder 3 tenlastegelegde;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 september 2023.