ECLI:NL:PHR:2023:599

ECLI:NL:PHR:2023:599, Parket bij de Hoge Raad, 20-06-2023, 22/02376

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02376
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2023:1211
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Caribische zaak. Veroordeling voor opzetheling, meermalen gepleegd. De OvJ heeft beperkt (partieel) hoger beroep ingesteld tegen o.m. een subsidiair tenlastegelegd feit. Tweede middel klaagt volgens de AG terecht dat een dergelijke beperking ontoelaatbaar is op grond van art. 436 SvC en dat het Hof het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk had moeten verklaren in het hoger beroep t.a.v. dit feit. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De AG geeft de Hoge Raad in overweging te bezien of hij in dit geval de zaak op praktische gronden zelf kan afdoen.

Uitspraak

3. primair

dat hij op 15 januari 2021, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 een motorrijtuig en/of onderdelen van een auto voorzien van chassisnummer [001]

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een [betrokkene 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, en/of door inklimming en/of door middel van een valse sleutel.

3. subsidiair

De bespreking van het middel

dat hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

 een motorrijtuig en/of onderdelen van een of meerdere auto ('s) voorzien van chassisnummer [001] en/of [002] en/of kenteken [kenteken]

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Parketnummer 555.00102/21

dat hij in de periode van 2 september 2020 tot en met 11 februari 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

 een motorblok (G3LAFP115644) en/of meerdere voertuigonderdelen van een motorvoertuig merk Kia Picanto voorzien van chassisnummer [003]

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goed(eren) wist of begreep, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.”

Het verhandelde ter terechtzitting

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2022 houdt, voor zover hier van belang, in:

“De voorzitter deelt mede dat het hoger beroep van de officier van justitie blijkens de akte is gericht tegen de vrijspraak van feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 en tegen de vrijspraak van het feit dat onder parketnummer 555.00102/21 ten laste is gelegd.”

8. Ter terechtzitting heeft de procureur-generaal aan het Hof een op schrift gestelde vordering overgelegd – die, zo begrijp ik, tevens als requisitoir dient –, waarin de omvang van het hoger beroep als volgt staat omschreven:

De Procureur-Generaal van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

[…]

verstaat het ingestelde appel aldus, dat het, afgaande op de appelakten, enkel is gericht tegen de feiten, waarvoor verdachte is vrijgesproken, oftewel feit ad 3 subsidiair inzake 555.00034/21 en het feit uit 555.00102/21, hetgeen betekent, nu uitsluitend de Officier van Justitie appel heeft ingesteld, dat de bewezenverklaarde feiten ad 1 en 2 uit 555.00034/21 niet in appel aan de orde zijn;”

9. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het Hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota d.d. 20 januari 2022, die wat betreft de omvang van het hoger beroep het volgende inhoudt:

“1. [verdachte] (hierna [verdachte] ), werd volgens het vonnis in Eerste Aanleg, uitgesproken op 28 juni 2021 niet door de rechter in eerste aanleg strafbaar gesteld van

- Feit 3 subsidiair: heling in periode 15 januari 2021 t/m 9 februari 2021 van auto-onderdelen en

- Feit 4, heling in periode 2 september 2020 t/m 11 februari 2021 van een Kia Picanto.

2. Tegen de vrijspraak van bovenvermelde feiten is het openbaar ministerie in appel gegaan.”

De bestreden beslissing van het Hof

10. Het Hof heeft ten aanzien van de omvang van het hoger beroep het volgende overwogen en beslist:

“Het hoger beroep is bij akte beperkt en richt zich conform die akte niet tegen de beslissingen aangaande feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Nu het hoger beroep zich wel expliciet richt tegen feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21, acht het Hof het aangewezen zowel feit 3 primair als feit 3 subsidiair onder parketnummer 555.00034/21 aan zijn oordeel te onderwerpen. Het vonnis waarvan beroep is derhalve aan beoordeling in hoger beroep onderworpen voor zover het betrekking heeft op de beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 555.00034/21 als feit 3 en het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het Hof is onderworpen.”

11. Het Hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte het onder 3 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard in de zaak met parketnummer 555.00034/21, in die zin dat:

“hij in de periode van 15 januari 2021 tot 9 februari 2021 te Curaçao,

 onderdelen van auto’s voorzien van chassisnummer [001] en [002] en kenteken [kenteken]

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van boven omschreven goederen wist of begreep dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”

Het juridisch kader

12. Art. 436 SvC luidt:

“1. Het hoger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.

2. Zijn echter in eerste aanleg strafbare feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan kan het hoger beroep tot het vonnis voor zover dit een of meer van de gevoegde zaken betreft, worden beperkt.”

13. Dit artikel kent zijn oorsprong in de gelijkluidende bepaling van art. 407 van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering (hierna: SvN). Ik meen daarom dat de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van art. 407 SvN van overeenkomstige toepassing is op art. 436 SvC. Daarvan uitgaande zal ik hieronder het wettelijke kader toepassen zoals is uiteengezet in HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2709, NJ 2013/531, m.nt. Mevis, HR 1 juli 2008 ECLI:NL:HR:2008:BC7913, NJ 2008/409 en HR 3 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5505, NJ 2007/211.

14. Het eerste lid van art. 436 SvC verwoordt het uitgangspunt dat slechts tegen het gehele vonnis van de rechtbank hoger beroep kan worden ingesteld. Dat lijdt ingevolge het tweede lid evenwel uitzondering wanneer het gaat om gevoegde zaken (cumulatief tenlastegelegde feiten). In die gevallen mag het hoger beroep door de verdachte en de officier van justitie worden beperkt tot het vonnis voor zover het een of meer van die gevoegde zaken betreft. Dat kan uitsluitend door middel van de in de door de griffier op te maken akte verwerkte verklaring als bedoeld in art. 445 SvC onderscheidenlijk de verklaring als bedoeld in art. 448 SvC waarmee het rechtsmiddel wordt ingesteld. Verdergaande beperkingen in het hoger beroep zijn niet geoorloofd. De Hoge Raad oordeelde eerder onder meer dat een beperking van het hoger beroep tot het subsidiair tenlastegelegde ontoelaatbaar is. In geval van een veroordeling ter zake van een subsidiair onderdeel van de tenlastelegging moet de rechter in hoger beroep weer over de gehele tenlastelegging oordelen. Een vrijspraak voor bijvoorbeeld het primair tenlastegelegde kan dus niet buiten het hoger beroep worden gehouden.

15. Tegen de achtergrond van dit stelsel dient uitgangspunt te zijn dat niet-inachtneming van art. 436 SvC bij het instellen van het hoger beroep moet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de desbetreffende procespartij in het hoger beroep tenzij het verzuim voor de afloop van de beroepstermijn is hersteld. De Hoge Raad heeft evenwel reden gezien de verdachte in voorkomende gevallen een helpende hand toe te steken wanneer het een door (of namens) hem in de appelakte aangebrachte beperking betreft. Een dergelijke beperking kan alsnog door de verdachte of zijn raadsman worden hersteld door ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen en te verklaren het hoger beroep zonder de ten onrechte in de appelakte aangebrachte beperking te willen doorzetten. De gedachte hierachter is dat zo een beperking het gevolg kan zijn van een vergissing of van ontoereikende voorlichting door justitiële functionarissen en dat, mede gelet op de grote gevolgen die het uitsluiten van een hoger beroep kan hebben voor de verdachte, dan niet zonder meer de toegang tot de hogere rechter aan de verdachte kan worden ontzegd. Het valt op dat de Hoge Raad in de te dezen relevante rechtspraak over zo een herstelmogelijkheid het openbaar ministerie als procespartij buiten beschouwing laat. Daaruit maak ik op dat een vergelijkbare herstelmogelijkheid niet aan het openbaar ministerie toekomt, hetgeen overigens begrijpelijk is indien wordt bedacht dat het openbaar ministerie als professionele procespartij op dit terrein deskundig genoeg moet worden geacht. Wat betreft de onderhavige zaak levert dit trouwens geen vraag op, nu de procureur-generaal bij het Hof ter terechtzitting niet is teruggekomen van de in de appelakte aangebrachte beperking van het hoger beroep.

16. Het Gerecht heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het onder parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde. Wat betreft het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21 is de verdachte bij hetzelfde vonnis van het Gerecht vrijgesproken van feit 1 primair en feit 3 (primair en subsidiair) en veroordeeld voor feit 1 subsidiair en feit 2. De officier van justitie heeft hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Uit de hiervoor aangehaalde aktes rechtsmiddel volgt onmiskenbaar dat het hoger beroep van de officier van justitie niet tegen het vonnis van het Gerecht in zijn geheel is ingesteld; het komt uitdrukkelijk niet op tegen de beslissingen van het Gerecht aangaande de feiten 1, 2 en 3 primair van het tenlastegelegde onder parketnummer 555.00034/21. Anders gezegd: de officier van justitie heeft blijkens de aktes rechtsmiddel louter bedoeld te appelleren tegen het in de zaak met parketnummer 555.00102/21 tenlastegelegde en tegen het onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 555.00034/21. De procureur-generaal heeft deze beperking ter terechtzitting in hoger beroep herhaald en aldus bevestigd. Gezien de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep (zie randnummer 7), heeft het Hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ook zo verstaan, en datzelfde geldt blijkens de overgelegde pleitnota voor de verdediging (zie randnummer 9).

17. In het bestreden vonnis heeft het Hof het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 onder feit 3 tenlastegelegde vervolgens in volle omvang (zowel primair als subsidiair) beoordeeld en de verdachte veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde. Het middel klaagt daarover terecht, nu het Hof het openbaar ministerie ingevolge het bepaalde in art. 436 SvC in het hoger beroep niet had mogen ontvangen voor zover dit betrekking heeft op het in de zaak met parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Wel ontvankelijk is het openbaar ministerie naar mijn inzicht in het hoger beroep in de zaak met parketnummer 555.00102/21, nu dit een gevoegde zaak betreft. Mede tegen de achtergrond van het bepaalde in het tweede lid van art. 436 SvC, komt het mij voor dat een ongeoorloofde beperking in het hoger beroep in de ene gevoegde zaak de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de andere gevoegde zaak in beginsel niet treft.

18. Het voorgaande dient er mijns inziens toe te leiden dat het vonnis van het Hof wordt vernietigd, opdat het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep tegen het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Mogelijk is er voor de Hoge Raad ruimte deze zaak op praktische gronden zelf af te doen. Het Hof heeft de verdachte immers vrijgesproken van het tenlastegelegde in de gevoegde zaak met parketnummer 555.00102/21 en de beslissingen van het Hof dienaangaande lijken mij niet te worden aangetast door een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde. Ik heb mij daarbij afgevraagd of deze partiële niet-ontvankelijkverklaring zich verdraagt met het dictum van ’s Hofs vonnis waarbij het Hof toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 406, zesde lid, SvC door de aan de veroordeelde opgelegde hoofdstraf voor de niet aan het oordeel van het Hof onderworpen bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten te bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden. Deze feiten zijn door de officier van justitie (mijns inziens op rechtens toelaatbare wijze) buiten het appel gehouden en daarom moest het Hof op de voet van art. 406, zesde lid, SvC de straf voor die feiten zelf bepalen. Naar het mij voorkomt wordt die beslissing evenmin geraakt door de genoemde partiële niet-ontvankelijkverklaring. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat uit het vonnis van het Hof blijkt dat naar het oordeel van het Hof de benadeelde partijen [betrokkene 1] e/v [betrokkene 2] , [betrokkene 3] e/v [betrokkene 4] en [betrokkene 5] rechtstreeks schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen als gevolg van verdachtes onder feit 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen, en de vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen in dat verband zijn toegewezen respectievelijk opgelegd.

III. Het eerste middel en het derde middel

19. Nu het tweede middel naar mijn inzicht slaagt en tot vernietiging van de bestreden uitspraak dient te leiden, behoeven het eerste en het derde middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad tot het oordeel komt dat het tweede middel tevergeefs is voorgesteld, ben ik desgewenst uiteraard bereid ten aanzien van de andere twee middelen aanvullend te concluderen.

IV. Slotsom

20. Het tweede middel slaagt.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder parketnummer 555.00034/21 tenlastegelegde en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?