HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02149 B
Datum 21 februari 2023
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 april 2021, nummer AV 001143-19, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de klaagster niet-ontvankelijk is in haar klaagschrift vanwege overschrijding van de termijn van artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Het klaagschrift strekt tot teruggave aan (onder meer) de klaagster van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder (contant) geld en sieraden. Het hof heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in het klaagschrift. De beschikking van het hof houdt hierover het volgende in:
“In de strafzaak tegen [betrokkene] is beslag gelegd op goederen en geldbedragen. Alle goederen en geldbedragen, met uitzondering van een geldbedrag van € 30,--, zijn onder [betrokkene] inbeslaggenomen.
De zaak tegen [betrokkene] is middels een schikking met het Openbaar Ministerie geëindigd op 18 november 2016. In de instemmingsverklaring met [betrokkene] is opgenomen dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2.000,-- alsmede vier flessen whisky aan hem zullen worden teruggegeven nadat een taakstraf is verricht. [betrokkene] heeft deze taakstraf uitgevoerd waarna de zaak, zes maanden na de transactiedatum onherroepelijk is geworden op 18 mei 2017.
Het hof heeft in de strafzaak van klaagster bij arrest van 12 oktober 2018 het vonnis van de rechtbank van 19 april 2018 bevestigd. Dit arrest is op 9 juli 2019 onherroepelijk geworden.
Klaagster heeft zich vervolgens bij een op 22 juli 2019 ter griffie van dit hof ingekomen klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering beklaagd over de inbeslagneming en teruggave verzocht van de inbeslaggenomen voorwerpen en- geldbedragen.
(...)
Ontvankelijkheid van het klaagschrift
Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift binnen drie maanden te worden ingediend sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
De zaak tegen [betrokkene] is op 18 mei 2017 tot een definitief einde gekomen. Klaagster heeft vervolgens pas op 22 juli 2019 een klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering ter griffie van dit hof ingediend.
Derhalve zal het hof de klacht van klaagster niet-ontvankelijk verklaren.”
Artikel 552a lid 3 Sv luidt:
“Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens of het bevel, bedoeld in de artikelen 125k en 125p, ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”
Uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van artikel 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.Indien het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen als de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is in dat geval gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen, waaronder ook - als het beslag op grond van artikel 94 Sv betrekking heeft op het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel - moet worden begrepen de behandeling van de tegen hen ingestelde ontnemingsvorderingen, tot een einde zijn gekomen. Als een voorwerp op grond van artikel 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is echter voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of - als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel - de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. (Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, rechtsoverwegingen 2.8 en 2.9.)
Uit de beschikking van het hof moet worden afgeleid dat de klaagster en [betrokkene] beiden als verdachte zijn aangemerkt in deze zaak. Verder volgt uit de vaststellingen van het hof dat de strafvervolging van de klaagster is geëindigd op 9 juli 2019 en de klaagster binnen drie maanden nadien, namelijk op 22 juli 2019, het klaagschrift heeft ingediend.
Het hof heeft niet vastgesteld op welke wettelijke bepaling(en) het beslag berust, terwijl ook de stukken de mogelijkheid openlaten dat het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv. Tegen de achtergrond van wat onder 2.4 is overwogen over de in dat geval geldende termijn, die mede afhankelijk is van het moment waarop de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen, is het oordeel van het hof dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend ontoereikend gemotiveerd.
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2023.