HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02474 B
Datum 17 juni 2025
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2023, nummer RK 22/026775, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder de klager in beslag genomen voorwerpen waarvan de rechtbank in de strafzaak tegen de klager teruggave heeft gelast; terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan; niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2023 waarbij het beklag niet-ontvankelijk is verklaard.
Het klaagschrift – dat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 – houdt in dat allerlei voorwerpen van de klager conservatoir inbeslaggenomen zijn en dat het beslag bestaat uit onder meer “5,73357045 bitcoins, één of meer personenauto[’s], contante geldbedragen, diverse goederen”, waarvan de teruggave wordt verzocht.
In haar beschikking – waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.11 – heeft de rechtbank vastgesteld dat op de daarin genoemde voorwerpen, waaronder zich bevinden 5,73357045 bitcoins, twee personenauto’s, contante geldbedragen en diverse andere voorwerpen, conservatoir beslag was gelegd en dat deze voorwerpen bij onherroepelijk geworden uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2022 in de strafzaak tegen de klager zijn verbeurdverklaard.
Bij de stukken bevindt zich een afschrift van die uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 februari 2022, waarvan de inhoud is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2. Naast de verbeurdverklaring van de hiervoor bedoelde voorwerpen, heeft de rechtbank daarin de teruggave gelast van een aantal andere inbeslaggenomen voorwerpen.
Het voorgaande brengt mee dat over alle conservatoir inbeslaggenomen voorwerpen onherroepelijk is beslist in de strafzaak tegen de klager, zodat het cassatieberoep van de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Door die onherroepelijke uitspraak in de strafzaak tegen de klager kan immers op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dat de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen dat ‘voor zover op de hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, dit hierop blijft rusten’ en dat ‘de beslissingen van de rechtbank enkel betrekking hebben op het strafvorderlijk beslag’ maakt dat niet anders.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2025.