HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04001
Datum 28 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2021, nummer 22-000667-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. Gonzalez Bos, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang:(i) het hof heeft op 25 augustus 2021 op tegenspraak uitspraak gedaan in deze zaak. Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (feit 4);
(ii) het dictum van het arrest van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) maanden.
Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt dat de hechtenis niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”
(iii) de strafmotivering van het hof houdt ten aanzien van de voor feit 4 opgelegde ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen het volgende in:
“Daarnaast is het hof van oordeel dat ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde (...) en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.”
(iv) het hof heeft op 21 september 2021 een herstelbeslissing gegeven. Deze herstelbeslissing houdt het volgende in:
“HERSTELBESLISSING
van het in hoger beroep gewezen arrest van dit gerechtshof van 25 augustus 2021 in de strafzaak tegen de verdachte:
(...)
Het hof heeft geconstateerd dat dit arrest een onmiddellijk kenbare fout bevat, die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478), te weten onder het kopje strafmotivering staat abusievelijk vermeld "en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur".
Dit moet zijn “en een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur”.”
(v) de verdachte heeft op 24 september 2021 cassatieberoep doen instellen.
Bij een herstelbeslissing gaat het om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak. Er is geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten. Een herstelbeslissing moet worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten. De griffier moet er zorg voor dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Met betrekking tot de mogelijkheid van controle door de rechter in hoger beroep of in cassatie is het volgende van belang. Tegen de herstelbeslissing (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft ook geen invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel tegen de (al dan niet herstelde) uitspraak. Als een herstelbeslissing wordt gegeven, kunnen zich wel bijzondere, de procespartij niet toe te rekenen omstandigheden voordoen die het overschrijden van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel tegen de (herstelde) uitspraak verontschuldigbaar doen zijn. Daaraan kan in het bijzonder worden gedacht in het geval dat een herstelbeslissing wordt genomen waarin de uitspraak wordt hersteld met een beslissing waarop de procespartij gelet op het hiervoor onder 2.2.1 geschetste kader niet bedacht had hoeven te zijn en de procespartij zo spoedig mogelijk na kennisgeving van die beslissing alsnog een rechtsmiddel tegen de (herstelde) uitspraak instelt. Als een herstelbeslissing betrekking heeft op een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel zoals bedoeld in 2.2.1, brengt dat overigens mee dat de procespartij daarop wel bedacht had moeten zijn. (Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1217.)
Volgens de stukken heeft de verdachte zich op de terechtzitting van het hof van 11 augustus 2021 op grond van artikel 279 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering laten verdedigen door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat. Daarom had het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 25 augustus 2021. Het beroep is echter pas ingesteld op 24 september 2021.
Voor zover in de schriftuur wordt aangevoerd dat een herstelbeslissing uitsluitend een verbetering van het dictum mag betreffen, berust het op een te beperkte en daarmee onjuiste rechtsopvatting. De feitenrechter heeft ook de mogelijkheid om – eveneens in evidente gevallen – een in een ander onderdeel van zijn uitspraak voorkomende kennelijke fout, te verbeteren indien hij dat relevant acht, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak.
Het onder 2.1 weergegeven dictum houdt in dat de verdachte voor het onder 4 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor de duur van drie maanden. In dit dictum is niet opgenomen dat deze bijkomende straf of een gedeelte daarvan – onder vermelding van een proeftijd en van daaraan verbonden voorwaarden – niet zal worden tenuitvoergelegd. Hieruit volgt dat de onder 2.1 weergegeven strafmotivering een kennelijke fout bevatte die zich leende voor eenvoudig herstel, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak. Van een herstelbeslissing waarop de verdachte niet bedacht had hoeven te zijn, is daarbij niet sprake. Daarom is de Hoge Raad van oordeel dat de overschrijding van de wettelijke termijn waarbinnen het beroep in cassatie tegen de einduitspraak van 25 augustus 2021 had moeten worden ingesteld, niet verontschuldigbaar is. De Hoge Raad kan het cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de bestreden uitspraak, niet in behandeling nemen.
Het cassatieberoep kan ook niet in behandeling worden genomen voor zover dat is gericht tegen de herstelbeslissing van het hof. Tegen zo’n beslissing staat immers geen rechtsmiddel open.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 november 2023.