ECLI:NL:HR:2023:1764

ECLI:NL:HR:2023:1764, Hoge Raad, 19-12-2023, 20/04340

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-12-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/04340
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2023:994
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 5 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903

Samenvatting

Profijtontneming, w.v.v. uit het als oprichter en leider deelnemen aan criminele organisatie. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Kon hof volstaan met vermindering van betalingsverplichting met € 5.000 bij schatting w.v.v. op € 656.064? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn en regel dat tijdsverloop tijdens e.a. en h.b. afzonderlijk beoordeeld moet worden. Door bij beoordeling van vraag of behandeling van zaak binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op omstandigheid dat “procedure als geheel periode van zeventien jaren en zeven maanden [heeft] bestreken”, heeft hof dit beoordelingskader miskend. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat redelijke termijn zowel in e.a. als in h.b. is overschreden. HR doet zaak zelf af en vermindert (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) opgelegde betalingsverplichting van € 651.064 met € 11.064. Samenhang met 20/04224 P, 20/04236 P en 20/04237 P (niet gepubliceerd; art. 80a RO).

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 20/04340 P

Datum 19 december 2023

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2020, nummer 21-000289-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste

van

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

hierna: de betrokkene.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het aan de staat te betalen bedrag, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden, het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld.

Het hof heeft het volgende overwogen over de redelijke termijn:

“De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Bij inleidende dagvaarding in de strafzaak tegen betrokkene die op 2 mei 2003 aan hem in persoon is betekend, is door de officier van justitie onder meer meegedeeld dat te zijner tijd ontneming van het wederrechtelijk voordeel zal worden gevorderd. Daarmee heeft de redelijke termijn een aanvang genomen. Nu de ontnemingszaak in hoger beroep is afgerond bij arrest van 16 december 2020, heeft de procedure als geheel een periode van zeventien jaren en zeven maanden bestreken. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is deze periode overschreden met dertien jaren en zeven maanden. Het uitgangspunt is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag. De vermindering van het ontnemingsbedrag is afhankelijk van de mate van overschrijding. De vermindering bedraagt in beginsel niet meer dan 5.000,- (HR:ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Het hof ziet in de omstandigheden van deze ontnemingszaak en de mate van overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om uit te gaan van het genoemde maximumbedrag en ziet daarin aanleiding het te betalen bedrag te verminderen met een bedrag van € 5.000,-.”

Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.16.)

Door bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op de omstandigheid dat “de procedure als geheel een periode van zeventien jaren en zeven maanden [heeft] bestreken”, heeft het hof dit beoordelingskader miskend.

Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door de betalingsverplichting te verminderen.

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM ook in cassatie is overschreden. Ook dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 651.064.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 640.000 bedraagt;

- verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2024/74
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?