HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01430
Datum 1 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2022, nummer 23-003674-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, beiden advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het als tweede impliciet cumulatief ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam om aldaar in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt in het licht van een gevoerd verweer over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde witwassen, voor zover het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte een geldbedrag van € 107.000 voorhanden heeft gehad dat ‘afkomstig was uit enig misdrijf’.
Voor zover het cassatiemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte dat hij (i) op 1 januari 2013 (de aanvangsdatum van de kasopstelling) € 18.700 in kas had, (ii) van zijn vader € 10.030 contant heeft ontvangen als terugbetaling van een lening en (iii) van zijn schoonvader driemaal € 5.000 als een schenking heeft ontvangen, “weinig concreet en amper verifieerbaar” zijn, onvoldoende is gemotiveerd, slaagt het. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.8 (waarbij de Hoge Raad onder 2.6 “30 september 2021” leest als “30 maart 2022”), 2.19 tot en met 2.22 en 2.24. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De beoordeling door de Hoge Raad van het tweede en het derde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het vierde en het vijfde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van “een geldbedrag van ongeveer EUR 107.000,-, althans een geldbedrag in een gele doos” en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024.