“Feit 1
Standpunt van de advocaat-generaal
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het witwassen van het geldbedrag van € 107.000,-. De verklaring die de verdachte heeft gegeven voor dit geldbedrag is concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Van de verdachte mag niet meer verwacht worden dan hij gedaan heeft. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om onderzoek te doen naar de herkomst van de gelden naar aanleiding van de verklaring van de verdachte.
Oordeel van het hof
Voor een bewezenverklaring van het in de op art. 420bis, eerste lid, onder b, Wetboek van Strafrecht (Sr) toegesneden tenlastelegging opgenomen onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf' is, gelet op doel en strekking van deze wetsbepaling en mede in hef licht van de wetsgeschiedenis, niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van art. 420bis Sr vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf', kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband gelegd kan worden met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof stelt het volgende vast.
Op 28 oktober 2015 wordt een observatie uitgevoerd, waarbij wordt geconstateerd dat de verdachte uit de richting van de woning gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] komt lopen, naar een Peugeot loopt en daarin een grote rode shoppertas zet. In deze shoppertas zat een zwarte zak met daarin 1.379 gram cannabis. Op diezelfde dag is de woning van de verdachte, gelegen aan de [d-straat 1] te [plaats] , doorzocht. In de werkkamer is op een bureau een gele doos aangetroffen met daarin een geldbedrag van in totaal € 107.000,-, bestaande uit 1540 biljetten van € 50,-, 280 biljetten van € 100,- en 10 biljetten van € 200,-. Dit geldbedrag was met elastieken gebundeld in 8 bundels. Ook is toen 6960 gram hennep in de woning aangetroffen.
Het is algemeen bekend dat in het criminele circuit gebruik wordt gemaakt van coupures met een hoge waarde terwijl dergelijke coupures in het legale betalingsverkeer nagenoeg niet worden gebruikt. Gelet op genoemde omstandigheden is het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag van € 107.000,- van misdrijf afkomstig is.
De verdachte heeft voor het eerst een verklaring gegeven over de herkomst van dit geldbedrag tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 27 september 2017. De verdachte heeft ten overstaan van de politie noch ten overstaan van de rechter-commissaris op 30 oktober 2015 een verklaring afgelegd over de herkomst van dit geldbedrag van € 107.000,-. Het hof betrekt ook het moment waarop de verdachte een verklaring heeft afgelegd bij de beoordeling van de aannemelijkheid van die verklaring.
Inkomsten uit bedrijf
De verdachte heeft onder meer verklaard dat hij inkomsten met zijn bedrijf heeft gegenereerd in 2013, 2014 en 2015 en dat hij daarvan privé en zakelijk contant geld voorhanden had.
De verdachte heeft een eenmanszaak genaamd [D] . In 2013 en 2014 heeft [D] werkzaamheden verricht voor [E] B.V., in 2015 niet. De betalingen voor de werkzaamheden in 2013 en 2014 zijn telkens via de bank overgemaakt op de bankrekening ( [004 ] ) op naam van de verdachte / [D] . In 2013 is € 76.700,- overgemaakt en in 2014 € 59.500,- op deze bankrekening. Vanaf deze bankrekening vinden geen contante opnames plaats. Er worden in de periode 2013 en 2014 bedragen overgeschreven naar andere bankrekeningen op naam van de verdachte en van zijn partner [betrokkene 2] . Op deze bankrekeningen wordt in de periode 1 januari 2013 tot en met 28 oktober 2015 € 140.563,79 gestort en € 81.732,49 opgenomen. Vanaf oktober 2014 wordt geen contant geld meer opgenomen van één van de bankrekeningen.
Gelet op het voorgaande acht het hof het zodanig onwaarschijnlijk dat het contant aangetroffen geldbedrag van € 107.000,- zijn herkomst vindt in de middels de onderneming van de verdachte gegenereerde inkomsten dat daaraan voorbij wordt gegaan.
Extra huurinkomsten en borg
De verdachte heeft verklaard dat uit de verhuur van het pand aan de [a-straat 1] € 6.800 meer aan huurinkomsten zijn ontvangen dan gerelateerd in de kasopstelling. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij op € 5.600 aan borg uitkomt voor de panden aan de [c-staat 1-2] .
Dat de (partner van de) verdachte € 6.800,- meer aan huurinkomsten en € 5.600,- meer aan borg ontving dan opgenomen is in de kasopstelling is op geen enkele wijze onderbouwd. In de kasopstelling wordt uitgegaan van € 800 aan netto inkomsten uit de huur van het pand aan de [a-straat 1] , hetgeen gebaseerd is op de verklaring van [betrokkene 6] . Deze verklaring is volgens de verdachte onjuist. Wat er onjuist is aan deze verklaring wordt in het geheel niet duidelijk gemaakt.
Voor wat betreft de borg heeft de verdachte slechts een huurcontract overgelegd van het pand aan de [c-staat 1-2] . De huurder van dat pand is gehoord en heeft verklaard dat in contanten € 2.000,- aan borg is betaald. Wat er onjuist is aan deze verklaring of van wie er nog meer borg is verkregen heeft de verdachte niet geconcretiseerd.
Het hof acht, gelet op het voorgaande, de verklaring van de verdachte dat hij - uit de exploitatie van onroerend goed - over € 12.400,- meer kon beschikken dan gerelateerd in de kasopstelling niet voldoende concreet. De verklaring van de verdachte valt ook niet te rijmen met de verklaringen van de huurders. De verdachte heeft niet aan gegeven wat er onjuist is aan de verklaringen van de huurders en waaruit dat blijkt/waarop dat gebaseerd is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt is de niet concrete verklaring van de verdachte derhalve ook niet verifieerbaar.
Verkoop Volvo V40 & BMW motor
De verdachte heeft verklaard dat hij een auto, een Volvo V40, en een BMW motor heeft verkocht. Hij heeft tevens verklaard dat hij bezig is met het vinden van de persoon aan wie hij deze auto en motor verkocht heeft.
Het hof constateert dat de verdachte nimmer met nadere stukken is gekomen voor wat betreft deze verkopen. Ook heeft de verdachte geen nadere gegevens verstrekt van de persoon aan wie deze auto en motor verkocht zouden zijn.
De politie heeft nader onderzoek gedaan naar aanleiding van de verklaring van de verdachte. Daaruit blijkt dat een Volvo op naam van de verdachte heeft gestaan van 25 maart 2014 tot dinsdag 09 september 2014. Tevens blijkt dat op 6 september 2014 een Audi met kenteken [kenteken 2] op naam van de verdachte is komen te staan. Voor deze auto zou volgens [F] B.V. € 13.750 betaald zijn in contanten. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat aannemelijk is dat de Audi gekocht is met het geldbedrag dat de verdachte ontvangen heeft uit de verkoop van de Volvo.
Gelet op hef voorgaande acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat de verdachte in oktober 2015 over een contant geldbedrag kon beschikken naar aanleiding van (mogelijke) verkopen van een auto en een motor.
Conclusie
De verdachte heeft enkele weinig concrete en amper verifieerbare verklaringen gegeven voor de herkomst van het geldbedrag van € 107.000,- die niet aannemelijk zijn c.q. hoogst onwaarschijnlijk worden geacht. De verdachte is bovendien pas in een Iaat stadium gaan verklaren en heeft - ondanks toezeggingen op sommige punten - nimmer nadere stukken aangeleverd waarmee nader onderzoek eventueel mogelijk zou zijn, terwijl hij daartoe ruimschoots gelegenheid heeft gehad. Gelet op al het voorgaande - in onderling verband en samenhang beschouwd - en in het bijzonder gelet op de hoogte van de aangetroffen geldbedragen, de wijze waarop deze gebundeld zijn en de coupures die het betreffen, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van € 107.000,- uit enig misdrijf afkomstig is.”
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen over het vaststellen dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dit kader hebben ook de stellers van het middel als uitgangspunt genomen:
“2.3.1 Het gaat bij dit cassatiemiddel om het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (artikel 420bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht). Eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema kan als volgt worden samengevat.
Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij de beoordeling van de door de verdachte afgelegde verklaringen over de herkomst van de aangetroffen gelden een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De in dat kader door het hof gebezigde woorden “zodanig onwaarschijnlijk”, “op geen enkele wijze onderbouwd” en “aannemelijk” zouden erop wijzen dat het hof is afgeweken van het door de Hoge Raad gehanteerde criterium dat de verklaring van de verdachte concreet, verifieerbaar en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk dient te zijn.
De klacht ontbeert feitelijke grondslag, gelet op het volgende.
Het hof heeft geoordeeld dat het de verklaring van de verdachte dat het contant aangetroffen geldbedrag van € 107.000,- zijn herkomst (onder meer) vindt in de middels zijn onderneming gegenereerde inkomsten, “zodanig onwaarschijnlijk [acht] dat (…) daaraan voorbij wordt gegaan”. Gelet op de daaraan voorafgaande overweging van het hof dat – kort gezegd – bij een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het betreffende voorwerp niet van misdrijf afkomstig is, heeft het hof met het woord “zodanig” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het de genoemde verklaring “hoogst” onwaarschijnlijk acht. Daarmee heeft het hof het juiste criterium toegepast.
Het hof heeft verder geoordeeld dat het de verklaring van de verdachte dat hij – uit de exploitatie van onroerend goed – over € 12.400,- (bestaande uit € 6.800 aan huurinkomsten en € 5.600 aan borg) meer contant geld kon beschikken dan gerelateerd in de kasopstelling, niet voldoende concreet acht. Daarmee heeft het hof ook hier het juiste criterium toegepast. Daaraan doet geenszins af dat het hof aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd dat de verdachte niet heeft geconcretiseerd wat onjuist zou zijn aan de verklaringen waarop het bestreden bedrag in de kasopstelling is gebaseerd en evenmin van wie er nog meer borg zou zijn verkregen en dat het hof heeft overwogen dat de verklaring van de verdachte kennelijk in die zin “op geen enkele wijze [is] onderbouwd”. Uit die overweging volgt, anders dan de stellers van het middel menen, niet dat het hof een schriftelijke onderbouwing eist. Ik merk ten overvloede nog op dat de omstandigheid dat de bewijslast niet op de verdachte mag worden gelegd naar het mij voorkomt niet meebrengt dat bij de beoordeling van bewijsverweren nooit een rol mag spelen of de verdachte het aangevoerde heeft onderbouwd met (schriftelijk) bewijs.
Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof over de verklaring van de verdachte dat een deel van het aangetroffen geldbedrag zijn herkomst vindt in de verkoop van een Volvo V40 en een BMW motor. Het hof heeft het hoogst onwaarschijnlijk geacht dat de verdachte in oktober 2015 over een contant geldbedrag kon beschikken naar aanleiding van die (mogelijke) verkopen. Het hof heeft daarmee de juiste maatstaf toegepast. Dat het ter onderbouwing van dat oordeel onder meer heeft overwogen dat “aannemelijk is dat de Audi gekocht is met het geldbedrag dat de verdachte ontvangen heeft uit de verkoop van de Volvo”, maakt dat niet anders. Die overweging heeft immers geen betrekking op de (on)waarschijnlijkheid van de verklaring van de verdachte over de vermeende verkoop zelf, maar ziet veeleer op de vraag in hoeverre de verdachte de opbrengst daarvan ook nog tot zijn beschikking had op het moment dat het bewezenverklaarde geldbedrag bij hem werd aangetroffen. Verder is duidelijk dat het feit dat de verdachte “nimmer met nadere stukken is gekomen” slechts een zeer beperkt onderdeel is van de motivering van het hof, die met name berust op de gegevens die wel bekend zijn geworden.
Gelet op het bovenstaande komt geen zelfstandige betekenis toe aan hetgeen het hof in zijn algemeenheid heeft gezegd over het ontbreken van onderbouwing en over de aannemelijkheid van de verklaringen van verdachte. In de passage in de conclusie dat de verklaringen van de verdachte “niet aannemelijk zijn c.q. hoogst onwaarschijnlijk worden geacht’ [verdachte] ik bovendien dat het hof “op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijk” in deze context heeft aangemerkt als de hier relevante graad van aannemelijkheid.
De eerste deelklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De vijfde deelklacht houdt in dat het hof is afgeweken van een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten zonder daarvoor (genoegzaam) de redenen op te geven. Het gaat dan om de verklaringen die de verdachte heeft gegeven voor de legale herkomst van de aangetroffen € 107.000,-, met name over de aanwezigheid van kasgeld op 1 januari 2013, contante inkomsten over 2015, een contant terugbetaalde lening door de vader van de verdachte en contant geld gegeven door de schoonvader van de verdachte. De stellers van het middel verwijzen hiervoor naar de pleitnota voor de zitting van het hof van 8 september 2021.
Deze pleitnota is op de terechtzitting van 8 september 2021 echter niet voorgedragen, maar alleen aan het hof overgelegd waarna het hof deze in het dossier heeft gevoegd. Dat brengt mee dat het hof niet hoefde te beslissing op een verweer uit die pleitnota, nu die niet uitdrukkelijk is voorgedragen. Dit wordt niet anders doordat ter zitting van het hof van 30 maart 2022 naar de pleitnota van 8 september 2021 is verwezen. In die verwijzing zie ik geen standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. Met name de conclusie ontbreekt.
De vijfde deelklacht faalt.
De tweede, derde en vierde deelklacht houden in essentie in dat het hof niet, dan wel niet niet-begrijpelijk of niet voldoende gemotiveerd het hiervoor onder 2.8 aangehaalde kader heeft toegepast.
Ik stel daarbij voorop dat dit kader meebrengt dat de rechter in zijn bewijsoverwegingen rekening houdt met verklaringen van de verdachte over de legale herkomst van een voorwerp als, ten eerste, de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden niet meer dan een vermoeden opleveren dat (het niet anders kan zijn dan dat) het geld van misdrijf afkomstig is en, ten tweede, de verklaringen van de verdachte over de legale herkomst van het geld concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Een bewezenverklaring is vervolgens niet toereikend gemotiveerd als de feitenrechter in het midden laat of een door de verdachte gegeven verklaring voor de herkomst van het voorwerp concreet, verifieerbar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Daarvoor is dus niet nodig dat deze verklaringen van de verdachte nogmaals in de vorm zijn gegoten van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Van belang is slechts of van die verklaringen is gebleken bij het onderzoek ter terechtzitting.
De stellers van het middel voeren aan dat het hof van een aantal verklaringen van de verdachte over de herkomst van het geld in het midden heeft gelaten of het om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gaat. Het betreft de verklaring dat (i) de verdachte op 1 januari 2013 beschikte over een privékas ter hoogte van € 18.700,-, (ii) de verdachte in totaal € 10.030,- in contanten heeft ontvangen van zijn vader ter terugbetaling van een aan deze laatste verstrekte lening, (iii) de schoonvader van de verdachte driemaal een contant geldbedrag ter hoogte van € 5.000,- heeft geschonken en (iv) de verdachte in 2015 een netto-omzet had van € 40.575,- (in contanten). Het middel slaagt ten aanzien van drie van de vier genoemde verklaringen. Ik zal dit nader toelichten.
Voor een goed begrip schets ik eerst het relevante procesverloop. Op de terechtzitting in eerste aanleg van 27 september 2017 heeft de verdachte een verklaring afgelegd over de herkomst van het bij hem aangetroffen geldbedrag van in totaal € 107.000,-. De verdachte is vervolgens bij vonnis van 11 oktober 2017 door de rechtbank veroordeeld voor (onder meer) het witwassen van dit geldbedrag. Tegen dit vonnis hebben de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep is de verdachte door de politie op 17 januari 2019 nader gehoord naar aanleiding van zijn op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring. Uit dit verhoor blijkt dat de verdachte ten aanzien van een aantal door hem gegeven verklaringen over de herkomst van het geldbedrag aangeeft onderbouwing te kunnen aanleveren en dat hij deze onderbouwing uiterlijk 1 maart 2019 zal aanleveren. De raadsman van de verdachte heeft op 22 maart 2019 per e-mail aan het ressortsparket diverse stukken aangeleverd. Deze stukken komen overeen met de bijlage 1 bij de pleitnota die door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2021 aan het hof is overgelegd. Door de politie is voorts op 2 december 2019 een proces-verbaal “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel eenvoudige kasopstelling” opgemaakt. In dit rapport wordt ook aandacht besteed aan (een aantal van) de verklaringen die door de verdachte zijn afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg en op 17 januari 2019 over de herkomst van het geldbedrag van € 107.000,-. Tevens is de schoonvader van de verdachte gehoord door de raadsheer-commissaris over de door de verdachte afgelegde verklaring.
Ten aanzien van de verklaring van de verdachte dat hij (iv) in 2015 € 40.575,- contant heeft ontvangen als omzet van zijn bedrijf, acht ik ’s hofs oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof de kasstromen via de bankrekeningen van de verdachte in ogenschouw heeft genomen. Deze stromen lieten zien dat in de jaren 2013, 2014 en 2015 bijna € 60.000,- is onttrokken aan de voorraad contant geld van de verdachte. Het oordeel van het hof dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de € 107.000,- zijn herkomst vindt in de inkomsten gegenereerd door de onderneming van de verdachte acht ik daarom niet onbegrijpelijk, ook als daarin de verklaring wordt betrokken dat de verdachte in 2015 € 40.575,- contant geld in omzet heeft ontvangen.
Aan de andere drie door de stellers van het middel genoemde verklaringen heeft het hof geen aparte overweging gewijd. Het hof heeft meer algemeen overwogen dat de verdacht “enkele weinig concrete en amper verifieerbare verklaringen [heeft] gegeven voor de herkomst van het geldbedrag van € 107.000,- die niet aannemelijk zijn c.q. hoogst onwaarschijnlijk worden geacht”. Voor zover deze passage niet slechts een samenvatting is van de voorgaande overwegingen van het hof, waarin geen aandacht is besteed aan de genoemde verklaringen, ontbreekt een motivering voor dit oordeel. Zonder deze motivering acht ik het oordeel van het hof echter niet begrijpelijk als het gaat om de verklaring van de verdachte dat hij (i) op 1 januari 2013 beschikte over een privékas ter hoogte van € 18.700,‑, (ii) dat hij in totaal € 10.030,- in contanten heeft ontvangen van zijn vader ter terugbetaling van een aan deze laatste verstrekte lening en (iii) dat zijn schoonvader driemaal een contant geldbedrag ter hoogte van € 5.000,- heeft geschonken. Van deze verklaringen kan niet zonder meer worden gezegd dat zij niet concreet zijn of geen aanknopingspunten bieden voor verificatie. Naar de giften van de schoonvader is zelfs nader onderzoek gedaan, maar het hof heeft niet uiteengezet hoe het de uitkomsten daarvan heeft betrokken in zijn bewijsoverwegingen.
Het middel richt zich verder tegen het oordeel van het hof inhoudende dat het hof “ook het moment waarop de verdachte een verklaring heeft afgelegd [betrekt] bij de beoordeling van de aannemelijkheid van die verklaring”. Aangevoerd wordt dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de verdediging hierover in hoger beroep heeft aangevoerd. Hierin volg ik de stellers van het middel echter niet, omdat het hof het moment van verklaren bij de beoordeling van de verklaring heeft kunnen betrekken.
Het middel bevat ook de klacht dat het oordeel van het hof dat aannemelijk is dat geld uit de verkoop van de Volvo is gebruikt voor aanschaf van de Audi onbegrijpelijk is, omdat de Audi op 6 september 2014 op naam van de verdachte is komen te staan en de Volvo op naam van de verdachte heeft gestaan tot 9 september 2014. De Audi is dus gekocht vóórdat Volvo is verkocht. Het oordeel van het hof komt mij echter niet onbegrijpelijk voor, in aanmerking genomen dat het op naam het stellen van een auto niet iets hoeft te zeggen over het moment van waarop voor de auto wordt betaald. Geldoverdracht kan immers ook plaatsvinden nadat formele verkoop al heeft plaatsgevonden. Hoe dan ook volgt uit de overwegingen van het hof dat in een korte periode in september 2014 meer contant geld (€ 13.750,- koopprijs Audi) uit het vermogen van de verdachte is gegaan dan er contant geld is ingekomen (€ 8.000,- verkoopprijs Volvo), zodat dit niet heeft kunnen bijdragen aan het in oktober 2015 aangetroffen bedrag van € 107.000,-.
Ten slotte acht ik, anders dan de stellers van het middel, het oordeel over de door de verdachte gestelde huurinkomsten niet onbegrijpelijk. Het hof heeft die verklaring beoordeeld in het licht van twee getuigen die deze verklaring tegenspreken. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat de verdachte niet duidelijk heeft gemaakt wat er niet juist is aan deze getuigenverklaringen of waar deze aanvulling verdienen. Gelet hierop acht ik het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdacht niet concreet en niet verifieerbaar zijn, niet onbegrijpelijk. Ik zie niet dat het hof door in deze omstandigheden van de verdachte aanknopingspunten te vragen voor nader onderzoek in feite van de verdachte zou eisen zijn onschuld te bewijzen.
De tweede, derde en vierde deelklacht slagen gedeeltelijk. Daarmee slaagt het eerste middel. Ik heb mij vervolgens afgevraagd in hoeverre ook belang bestaat bij cassatie. Slechts van een bedrag van ongeveer € 25.000,- van de in totaal € 207.000,- is ’s hofs oordeel dat het niet anders kan dan dat dit bedrag afkomstig is uit misdrijf ontoereikend gemotiveerd. Voor de strafwaardigheid van het feit hoeft dit niet van grote betekenis te zijn. Omdat echter ook de verbeurdverklaring van dit hele bedrag is opgelegd op de grondslag dat het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot deze geldbedragen, acht ik het belang hoe dan ook aanwezig.
Ik leid verder uit het arrest af dat het hof het witwassen van het bedrag van € 107.000,- en van het bedrag van € 100.000,- heeft aangemerkt als twee afzonderlijke feiten die impliciet cumulatief ten laste zijn gelegd. Het hof heeft dit immers gekwalificeerd als “witwassen, meermalen gepleegd”. Daar kom ik bij de afronding op terug.
Het tweede middel
Het tweede middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte een bedrag van € 100.000,- voorhanden heeft gehad “terwijl hij wist dat dit geld bedrag – (…) middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf” onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.
De stellers van het middel voeren aan dat het hof geen enkele overweging heeft gewijd aan de vraag of en zo ja op grond waarvan het bedrag van € 100.000,- middellijk afkomstig zou zijn uit enig misdrijf en dat uit de bewijsvoering niet kan blijken dat het bedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Ik merk allereerst op dat het hof bewezen heeft verklaard dat de geldbedragen “middellijk of onmiddellijk” afkomstig waren uit enig misdrijf. Het hof heeft geen keuze gemaakt tussen deze twee onderdelen van de tenlastelegging en was daar ook niet toe gehouden. Verder wijs ik erop dat door de verdediging in hoger beroep niet is betwist dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf. De verdediging heeft zich te dien aanzien op het standpunt gesteld dat dat bedrag namelijk afkomstig is uit eigen misdrijf.
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat in de woning van de verdachte in de werkkamer een zwarte plastic tas werd aangetroffen met daarin een groot contant bedrag van in totaal € 100.000,-, bestaande uit (onder meer) 11 biljetten van € 500,-, 4 biljetten van € 200,- en 275 biljetten van € 100,- (bewijsmiddel 5). Het geldbedrag is in zes bundels aangetroffen (bewijsmiddel 8). Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat deze feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat dit gelbedrag van € 100.000,- van misdrijf afkomstig is. Bij het uitblijven van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van de verdachte dat het geld een legale herkomst heeft, heeft het hof vervolgens kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag van € 100.000,- uit enig misdrijf afkomstig is, waarbij het bovendien niet anders kan zijn dan dat dit bedrag hetzij middellijk hetzij onmiddellijk uit dit misdrijf is verkregen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel van het hof dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond op het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 100.000,- niet van toepassing is.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 maart 2022 houdt voor zover van belang in:
“Het klopt dat die € 100.000,- van coffeeshops afkomstig was. Ik heb dat geldbedrag gekregen van Driessen. Ik ben met dat geld naar huis gereden en heb het in het kantoor gelegd. Een half uur later stond de politie op de stoep. Ik ben niet in de gelegenheid geweest om betalingen te doen. Het werkt zo dat ik een voorbeeld krijg van de kwaliteit van de hennep. Met die hennep ga ik naar de coffeeshop. Als de coffeeshop de hennep van goede kwaliteit vindt dan laat ik de hennep naar mij toe komen, Ik haal het geld op zodat ik de betaling kan doen. Van die € 100.000,- kan ik 7 a 8 kilogram betalen. Dat zou diezelfde avond gebeuren. Het is een kwestie van vertrouwen.”
Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde de volgende overweging opgenomen:
“Strafbaarheid van het bewezenverklaard
Feit 1 – witwassen geldbedrag € 100.000,-
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bewezenverklaarde strafbaar is. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is niet van toepassing op het ten laste gelegde geldbedrag van € 100.000,- nu de zaak niet onder de criteria uit het arrest van de Hoge Raad met ECLI-nummer 2016:2842 valt.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging verzocht ten aanzien van het geldbedrag van € 100.000,-. Daartoe is aangevoerd dat het geldbedrag van € 100.000,- onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat verdachte dit geldbedrag slechts voorhanden heeft gehad. De raadsman heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad met ECLI-nummer 2019:78. De verdachte heeft op de terechtzitting in eerste aanleg, op 27 september 2017, verklaard dat het geldbedrag bestemd was voor de handel in verdovende middelen, dat het geen winst was, maar een opbrengst en dat hij niet precies weet hoeveel hennep hij voor dit bedrag heeft geleverd, maar dat hij dacht dat het ongeveer 20 kilo was. Daarnaast heeft hij verklaard dat het deels inkoopgeld betreft voor hennep.
Oordeel van het hof
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij dit geldbedrag van coffeeshops heeft gekregen ten behoeve van de inkoop van hennep volstrekt niet aannemelijk, gelet op de hoogte van het bedrag, de wijze waarop het is aangetroffen - mede in vergelijking met de wijze van aantreffen van het geldbedrag van € 107.000,- - en de bewezenverklaring van feit 2. De verklaring van de verdachte wordt derhalve ter zijde geschoven.
De rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de zogeheten kwalificatie-uitsluitingsgrond ziet op het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die ‘onmiddellijk’ uit ‘eigen’ misdrijf afkomstig zijn (HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842 en HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:78).
De Hoge Raad heeft in deze arresten overwogen dat de volgende factoren van belang zijn bij de begrijpelijkheid van de beslissing dat het voorwerp ‘onmiddellijk’ afkomstig is uit ‘eigen’ misdrijf:
(i) naast het tenlastegelegde witwassen is sprake van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii) uit de bewijsvoering vloeit rechtstreeks voort dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii) de juistheid van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf is in het midden gelaten.
Het hof stelt vast dat (i) en (ii) niet aan de orde zijn en dat de verdediging niet met voldoende concretisering heeft aangevoerd welk concreet misdrijf aan het verwerven van dit geldbedrag ten grondslag ligt. Het hof kan slechts in algemene zin vaststellen dat het samenhangt met de handel in hennep. Dat is onvoldoende om aannemelijk te achten dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een eigen misdrijf van de verdachte.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.”
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842, in verband met de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):
“2.4.1. De in de aangehaalde wetsgeschiedenis bedoelde rechtspraak heeft in beginsel uitsluitend betrekking op de delictsgedragingen "verwerven" en "voorhanden hebben", zoals opgenomen in art. 420bis, eerste lid onder b, en art. 420quater, eerste lid onder b, Sr (hierna aan te duiden met: gewoon (schuld)witwassen). Deze rechtspraak heeft dan ook geen betrekking op het verbergen en verhullen als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr.
Ten aanzien van het verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die "onmiddellijk" uit "eigen" misdrijf afkomstig zijn, geldt dat die gedragingen niet zonder meer als gewoon (schuld)witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Wanneer het gaat om gewoon (schuld)witwassen bestaande in het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet uit de motivering van de uitspraak kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.
Deze rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van gewoon (schuld)witwassen houdt in dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf, niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het gewoon (schuld)witwassen van die voorwerpen, een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaren respectievelijk twee jaren is gesteld. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.
2.4.2.Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing omtrent de "onmiddellijke" afkomst uit "eigen" misdrijf zijn als factoren vooral van belang of:
(i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel
(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.”
In de toelichting op de deelklacht wordt onder andere aangevoerd dat het oordeel van het hof dat het de verklaring van de verdachte dat hij dit geldbedrag van een coffeeshop heeft gekregen ten behoeve van de inkoop van hennep volstrekt niet aannemelijk acht, onbegrijpelijk is.
Het hof heeft ter onderbouwing van dit oordeel gewezen op de hoogte van het bedrag, de wijze waarop het is aangetroffen – mede in vergelijking met de wijze van aantreffen van het geldbedrag van € 107.000,- (waarvoor de verdachte een andere verklaring heeft gegeven dan voor de € 100.000,-) – en de bewezenverklaring van feit 2. Dat komt mij niet onbegrijpelijk voor. Daarbij neem ik in aanmerking dat een coffeeshophouder een flink financieel risico loopt wanneer aan de verdachte een bedrag van € 100.000,- zou worden gegeven zonder dat daarvoor (gelijktijdig) verdovende middelen worden geleverd.
Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de verdediging niet met voldoende concretisering heeft aangevoerd welk misdrijf aan het verwerven van dit geldbedrag ten grondslag ligt en dat het hof slechts in algemene zin kan vaststellen dat het geldbedrag samenhangt met de handel in hennep en dat dat onvoldoende is om aannemelijk te achten dat de geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een eigen misdrijf van de verdachte.
De stellers van het middel menen dat het hof hier is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat, ten eerste, het hof ter beantwoording van de vraag of aannemelijk is geworden dat het voorwerp onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is enkel de concreetheid van de verklaring van de verdachte heeft beoordeeld, ten tweede, uit het oordeel van het hof volgt dat de verdediging met voldoende concretisering moet aanvoeren welk concreet misdrijf aan het verwerven van het geldbedrag ten grondslag ligt en, ten derde, het hof ten onrechte het (kennelijke) oordeel is toegedaan dat de handel in hennep niet een voldoende geconcretiseerd misdrijf is.
Het eerste en het tweede punt missen feitelijke grondslag. Het hof heeft immers eerst vastgesteld dat de factoren (i) en (ii) uit het hiervoor onder 3.9 geciteerde arrest niet aan de orde zijn. Het hof heeft aldus niet enkel de concreetheid van de verklaring van de verdachte beoordeeld. Vervolgens heeft het hof vastgesteld dat geen van de door de Hoge Raad genoemde factoren aan de orde is en dat niet aannemelijk is dat het geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf. Daarmee heeft het hof geen verplichting op de verdachte gelegd die in strijd zou zijn met het beginsel dat hij zichzelf niet hoeft te belasten.
Wat het derde punt betreft, neem ik om te beginnen in aanmerking dat het hof de verklaring van de verdachte over de herkomst van het bedrag (niet onbegrijpelijk) terzijde heeft geschoven. Een andere verklaring heeft de verdachte niet gegeven, zodat niet meer kan worden gezegd dat de verdachte iets heeft aangevoerd in hiervoor bedoelde zin. Voor zover wordt betoogd dat hetgeen het hof zelf heeft vastgesteld, namelijk dat het geldbedrag in algemene zin samenhangt met de handel in hennep, voldoende concreet is om te oordelen dat het bedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, stel ik voorop dat een dergelijke concretisering niet zo ver hoeft te gaan dat het misdrijf naar plaats, tijd en handeling is bepaald. Aan de andere kant dient de concretisering wel voldoende te zijn en te zien op zowel het gepleegde misdrijf als het verband tussen het misdrijf en het aangetroffen geld. In dat licht getuigt het oordeel van het hof dat het onvoldoende is om slechts in algemene zin vast te stellen dat het geldbedrag samenhangt met de handel in hennep, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat bij handel in hennep volgens het middel “gedacht kan worden” aan een voorbereidingshandeling als bedoeld in art. 11a Opiumwet, maakt dat niet anders.
Het tweede middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde middel
Het derde middel bevat valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat het hof de grondslag van het onder 2 ten laste gelegde heeft verlaten door ten laste van de verdachte bewezen te verklaren dat hij heeft verstrekt “een hoeveelheid van ongeveer 1379 gram van een materiaal betreffende hennep”, terwijl ten laste was gelegd “een hoeveelheid van ongeveer 6565 gram (…) van een materiaal bevattende hennep”. In dat verband wordt aangevoerd dat het onduidelijk is waar de tenlastegelegde 6565 gram op gebaseerd was en dat het hof het verschil in gewicht niet heeft verklaard zodat niet onaannemelijk is dat die 6565 gram op iets anders betrekking heeft dan de bewezenverklaarde 1379 gram. Daarnaast zou de tenlastelegging geen ruimte laten voor het bewezen verklaren van een veel lagere hoeveelheid hennep dan de ongeveer 6565 gram die ten laste was gelegd.
Aan de verdachte was onder 2 ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van ongeveer 6565 gram (in de Peugeot) en/of
een hoeveelheid van ongeveer 6960 gram (in de woning op de [d-straat 1] ) van een materiaal
bevattende hennep, althans van een materiaal bevattende een middel vermeld op de bij de Opiumwet
behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 28 oktober 2015 te Amsterdam opzettelijk heeft verstrekt een hoeveelheid van ongeveer 1379 gram van een materiaal betreffende hennep en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 6960 gram (in de woning op de [d-straat 1] ) van een materiaal bevattende hennep.”
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Daarbij komt aan de feitenrechter een grote vrijheid toe. Uitgangspunt is dat de uitleg die de feitenrechter aan de tenlastelegging heeft gegeven in cassatie wordt geëerbiedigd zolang deze niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. Van (feitelijke) grondslagverlating kan sprake zijn als door een deelvrijspraak de uiteindelijke bewezenverklaring op een andere feitelijke gebeurtenis ziet dan het openbaar ministerie in zijn tenlastelegging op het oog had.
Uit de tenlastelegging volgt dat de verdachte wordt verweten – kort gezegd – het tezamen en in vereniging opzettelijk verkopen etc. en/of het opzettelijk aanwezig hebben van twee verschillende hoeveelheden hennep, waarvan de ene hoeveelheid is aangetroffen in de Peugeot en de andere in de woning op de [d-straat 1] . Het hof heeft bewezenverklaard – kort gezegd – dat de verdachte een hoeveelheid van 1379 gram opzettelijk heeft verstrekt en een hoeveelheid van 6960 gram in de woning op de [d-straat 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad. Daarmee heeft het hof de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. Van een bewezenverklaring die betrekking heeft op een andere feitelijke gebeurtenis dan het openbaar ministerie in zijn tenlastelegging op het oog had, is geen sprake. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit ’s hofs bewijsvoering blijkt dat de bewezenverklaarde 1379 gram hennep afkomstig is uit een Dirk shopper tas en dat deze tas in de Peugeot is aangetroffen (bewijsmiddel 2 en 3). Dat het hof in de bewezenverklaring het tenlastegelegde “in de Peugeot” niet heeft overgenomen doet daaraan niet af. Evenmin doet daaraan af dat het hof tot een bewezenverklaring van een lagere hoeveelheid gewicht hennep is gekomen.
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het onder 2 bewezenverklaarde. In dat verband wordt erop gewezen dat uit bewijsmiddel 3 volgt dat de zwartkleurige zak vermoedelijk toppen van een cannabisplant bevat, maar dat niet is vastgesteld dat dit daadwerkelijk hennep betreft en dat het hof niet heeft vastgesteld dat de verbalisanten bijvoorbeeld hennep hebben geroken. Ook het bewijs voor het gewicht van 1379 gram hennep zou ontoereikend zijn, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat zich in de zwarte zak nog andere voorwerpen bevonden.
Ook deze deelklacht faalt. Uit de bewijsvoering van feit 2 volgt dat door verbalisanten is gezien dat de verdachte een grote rode shopper tas van Dirk van den Broek in een Peugeot zet (bewijsmiddel 2). Voorts blijkt dat door verbalisanten in deze tas een zwartkleurige zak met vermoedelijk toppen van een cannabisplant werd aangetroffen en dat de zwarte zak ongeveer 1379 gram weegt (bewijsmiddel 3 en 4). Tot slot heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat hij hennep aanwezig heeft gehad en dat hij een rode tas met hennep in de Peugeot van de medeverdachte [betrokkene 2] heeft gelegd. Het hof op basis van deze feiten en omstandigheden geoordeeld en kunnen oordelen dat de verdachte 1379 gram van een materiaal betreffende hennep opzettelijk heeft verstrekt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Het derde middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vierde middel
Het vierde middel bevat de klacht dat de beslissing van het hof tot verbeurdverklaring van twee Blackberrytelefoons niet zonder meer begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft ten laste van de verdachte twee telefoons verbeurdverklaard. Het bestreden arrest houdt in dat verband het volgende in:
“Beslag
(…)
Het verpakkingsmateriaal en de telefoons, die nog niet zijn teruggegeven behoren aan de verdachte toe. Zij zullen worden verbeurd verklaard aangezien het bewezenverklaarde onder 2 met behulp van die voorwerpen zijn begaan of voorbereid.
Beslissing
Het hof:
(…)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1.00 STK Zaktelefoon (Blackberry) (goednummer 5072907) 1.00 STK Zaktelefoon (Blackberry Porsche design) (goednummer 5072908) 1.00 STK Verpakkingsmateriaal (zwart/goud tas) (goednummer 5073173).”
De stellers van het middel wijzen erop dat uit de bewijsmiddelen niets volgt omtrent de verbeurdverklaarde telefoons. Ook het verhandelde ter terechtzitting zou niets inhouden over deze telefoons. Het oordeel van het hof dat het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid met behulp van de telefoons zou om die reden niet zonder meer begrijpelijk zijn en/of ontoereikend zijn gemotiveerd.
Voor zover de klacht berust op de opvatting dat een oordeel over de vatbaarheid voor verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen voorwerp dient te worden gestaafd door de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen, faalt de klacht, omdat die opvatting onjuist is. Voldoende – maar noodzakelijk – is dat het desbetreffende oordeel berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken.
Ik meen dat uit de stukken van het geding niet blijkt waaruit het hof een verband tussen de inbeslaggenomen telefoons en het bewezenverklaarde onder 2 heeft afgeleid, zodat de verbeurdverklaring van de telefoons onbegrijpelijk is. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 september 2019 houdt weliswaar in dat de raadsman van de verdachte heeft medegedeeld “dat op pagina 3 van het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 september 2017 staat als verklaring van mijn cliënt: “Ik maakte gebruik van de PGP-telefoons die zijn aangetroffen in mijn woning. U, voorzitter, houdt mij voor dat [betrokkene 2] heeft verklaard dat die telefoons bestemd waren voor de verkoop van verdovende middelen”. Ik vraag mij af of de voorzitter van de rechtbank hier de juiste conclusie heeft getrokken uit de verklaring van [betrokkene 2] . Ik zou de medeverdachte [betrokkene 2] hierover kort willen horen”. Op basis van deze gegevens kan echter, mede gelet op de betwisting daarvan door de raadsman, niet zonder meer het verband tussen de verbeurdverklaarde telefoons en het onder 2 bewezenverklaarde worden afgeleid.
Het vierde middel slaagt.
Het vijfde middel
Het vijfde middel bevat de klacht dat sprake is van een overschrijding van de inzendtermijn, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden.
Op 15 april 2022 is namens de verdachte cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 20 december 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn met vier dagen is overschreden. Dat dient tot strafvermindering te leiden.
Het vijfde middel slaagt.
Afronding
Het eerste, vierde en vijfde middel slagen. De overige middelen falen, waarbij het minder voor de hand ligt om het tweede middel af te doen met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering gelet op het ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg voor het onder 1 als eerste impliciet cumulatief ten laste gelegde.
Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn ook in zoverre is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het als tweede impliciet cumulatief ten laste gelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam om aldaar in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG