HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02408
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2022, nummer 22-002679-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Arkesteijn, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
Aan de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2022 is een akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die oproeping op 19 mei 2022 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in artikel 36e lid 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De termijn van tien dagen die in artikel 413 lid 1, eerste volzin, Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen.
De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting is de verdachte niet verschenen. Een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is ook niet verschenen. Daarom had het hof het onderzoek op de terechtzitting op grond van artikel 413 in samenhang met artikel 265 lid 3 Sv moeten schorsen. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting echter voortgezet nadat tegen de niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.