ECLI:NL:HR:2024:1501

ECLI:NL:HR:2024:1501, Hoge Raad, 22-10-2024, 22/02903

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 22-10-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02903
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:831
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2022:3842
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006622 BWBR0038936

Samenvatting

Rijden onder invloed van alcohol, art. 8.3.b WVW 1994. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Is sprake van “onderzoek” a.b.i. art. 8.3.b WVW 1994? 2. Voldoet beroep op art. 359a Sv van verdediging (recht op bijstand van advocaat tijdens verhoor is geschonden) aan de aan zo’n verweer te stellen eisen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie CAG: Hof heeft geoordeeld dat mededeling van recht op tegenonderzoek bij bloedafname geen strikte waarborg is a.b.i. art. 8 WVW 1994 en dat i.c. niet-naleving van deze bepaling door het te laat doen van mededeling een vormverzuim in zin van art. 359a Sv oplevert. Hof heeft aan de hand van stukken in dossier vastgesteld dat verdachte op 2 andere momenten is gewezen op recht op tegenonderzoek en heeft geoordeeld dat art. 13.2 BADG geen strikte waarborg is, zodat niet gezegd kan worden dat er in dat verband geen rechtsgeldig onderzoek a.b.i. art. 8 WVW 1994 heeft plaatsgevonden. Dat oordeel berust niet op een verkeerde rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor oordeel van hof dat weliswaar sprake is van vormverzuim, maar verdachte daarvan en van andere gebreken geen nadeel heeft ondervonden, zodat met enkele constatering van vormverzuim kan worden volstaan. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Dat hof heeft geoordeeld dat verweer niet voldoet aan eisen die in rechtspraak aan “359a-verweer” worden gesteld, is niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De in art. 359a.2 Sv bedoelde factoren worden in verweer immers niet of in ieder geval onvoldoende ter sprake gebracht, en conclusie van raadsvrouw dat resultaat van bloedonderzoek van bewijs dient te worden uitgesloten, volgt in pleidooi van raadsvrouw niet (zozeer) uit haar punt dat verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van verhoorbijstand, maar uit “veelheid van vormverzuimen”. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/02903

Datum 22 oktober 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 juli 2022, nummer 23-001855-21, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van een ‘onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 3, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 tot en met 6 en 8 tot en met 17.

3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat een door de verdediging gedaan beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet voldoet aan de aan zo’n verweer te stellen eisen.

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5, 6 en 20 tot en met 23.

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geldboete van € 350 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2024-0253 RvdW 2024/1038
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?