ECLI:NL:PHR:2024:831

ECLI:NL:PHR:2024:831, Parket bij de Hoge Raad, 27-08-2024, 22/02903

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/02903
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2024:1501
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0006622

Samenvatting

Conclusie AG. (1) Moet het recht op tegenonderzoek abi art. 13 lid 2 BADG (in de onderhavige zaak) worden aangemerkt als strikte waarborg? Volgens de AG is het ontkennende oordeel van het hof niet onjuist en toereikend gemotiveerd. (2) De klacht tegen het oordeel van het hof dat het ter terechtzitting gevoerde verweer over schending van het recht op aanwezigheid en bijstand van een advocaat tijdens het verhoor geen ‘359a-verweer’ is en buiten bespreking gelaten kan worden, faalt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 22/02903

Zitting 27 augustus 2024

CONCLUSIE

E.J. Hofstee

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

hierna: de verdachte

Inleiding

De verdachte is, nadat hij bij vonnis van 23 juni 2021 integraal is vrijgesproken door de politierechter, bij arrest van 19 juli 2022 door het gerechtshof Amsterdam wegens "overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van € 350,00 en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van zes maanden (met een proeftijd van twee jaren).

Namens de verdachte heeft J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat in Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Bewezenverklaring en bewijsvoering

3. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 2 juni 2020 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,05 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs van categorie B is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt.”

4. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 juni 2021.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op 2 juni 2020 een personenauto bestuurd nadat ik meer alcoholhoudende drank heb gebruikt dan toegestaan.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2022. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Er is toen een arts gekomen, die heeft bij mij bloed afgenomen. Dat gebeurde niet in een aparte ruimte, maar in dezelfde ruimte als waar de eerdere ademanalyse was gedaan. De hulpofficier van justitie en twee verbalisanten, die mij eerder hadden aangehouden, waren bij de bloedafname aanwezig. Er zijn twee buisjes bloed afgenomen.

3. Een proces-verbaal rijden onder invloed met nummer PL1300-2020113895-1 van 5 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Op 2 juni 2020 om zagen wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig personenauto. Volkswagen Up!, kenteken [kenteken] , reed op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Rhijnspoorplein, Amsterdam.

Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van 18 jaar of ouder had bereikt.

De verdachte gaf mij, [verbalisant 1] (AML37062), op te zijn genaamd:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1999

Op dinsdag 02 juni 202, omstreeks 07:35 uur heeft [betrokkene 1] onder nummer TABE3630NL op de voorgeschreven wijze bloed bij de verdachte afgenomen.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020113895-3 van 5 juni 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Op dinsdag 02 juni 2020, omstreeks 07:35 uur heeft [betrokkene 1] , dienstdoende arts, bij de verdachte op de voorgeschreven wijze bloed afgenomen. Het afgenomen bloed is onder nummer TABE3630NL, via de voorgeschreven wijze ingestuurd naar het laboratorium.

5. Een aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed van 2 juni 2020, ondertekend door opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , hulpofficier van justitie [betrokkene 2] en arts [betrokkene 1] , voor zover inhoudend:

Gegevens bloedgever: [verdachte] (man), geboren op [geboortedatum] 1999, burger service nummer [nummer]

Identiteitszegel Analyse TABE3630NL, naam: [verdachte]

Identiteitszegel Tegenonderzoek TABE3631NL, naam: [verdachte]

Ondergetekende arts [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] verklaart [op] 2/6/20 op de voorgeschreven wijze van bovenstaande persoon om 07:35 uur, bloed te hebben afgenomen. Wijze van afname: venapunctie.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020113895-11 van 18 maart 2022, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verbalisanten:

Op 2 juni 2020, omstreeks 07:35 uur heeft de arts, [betrokkene 1] middels een venapunctie bij verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] bloed afgenomen. Wij kunnen met zekerheid zeggen dat er een politieambtenaar bij de afname aanwezig was.

7. Een rapport van Labor Mönchengladbach MVZ Dr. Stein & Collegae, opgemaakt op 22 juni 2020 door drs. P.G.M. Zweipfenning, apotheker, toxicoloog (Eur. Reg. Tox) en forensisch toxicoloog NRGD, bestaande uit twee pagina’s, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van voornoemde deskundige:

Op pagina 1:

Rapport alcohol in het verkeer

Wijze van ontvangst: koerier

Datum: 03-06-2020

Items:

SIN-nummer TABE3630NL: bloed van [verdachte]

SIN-nummer TABE3631NL: bloed van [verdachte] (bestemd voor eventueel tegenonderzoek) Het bloed wordt voor en na de analyse bewaard bij -20°C

Op pagina 2:

Resultaten:

Aangewezen stof: alcohol

Meetbare stof: ethanol

Eindresultaat in bloed (TABE3630NL): 1,05 milligram per milliliter

Opgemaakt en ondertekend te Mönchengladbach op: 22-06-2020”

5. De bewijsoverwegingen van het hof houden onder meer het volgende in:

“De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw - samengevat- aangevoerd dat diverse voorschriften uit het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) niet zijn nageleefd. Deze voorschriften behoren tot de strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omringd en de niet-naleving daarvan brengt mee dat de uitslag van het bloedonderzoek dient te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat het niet naleven van deze voorschriften (al dan niet in onderlinge samenhang bezien) gelet op het bepaalde in artikel 359a Sv dient te leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak.

[…]

Het hof overweegt als volgt. Van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8 lid 3 WVW 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd. Deze waarborgen worden ook wel aangeduid ais de strikte waarborgen. Het hof gaat na of sprake is van een onderzoek zoals hiervoor bedoeld en zal daarbij de verweren van de raadsvrouw achtereenvolgens bespreken.

Ten aanzien van de bloedafname, art. 12 en 13 Besluit

Ten eerste is door de raadsvrouw aangevoerd dat niet uit het dossier kan blijken dat er bij de bloedafname een opsporingsambtenaar aanwezig is geweest die zich ervan heeft vergewist dat de bloedafname conform het Besluit is geweest en daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt, zoals voorgeschreven in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van het Besluit.

Het hof overweegt als volgt. Art. 13 Besluit luidt:

1 Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die: a. van de bloedafname een proces-verbaal opmaakt dat hij voorziet van een sporenidentificatienummer en de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer van de verdachte van wie het bloed is afgenomen, of, indien deze gegevens van de verdachte onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,

b. een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte als bijlage bij het proces-verbaal, bedoeld onder a, voegt,

c. ervoor zorgt dat ieder buisje met bloed voorzien is van een sporenidentificatienummer, en

d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed binnen vier weken in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

Het dossier behelst een proces-verbaal ‘rijden onder invloed’, opgemaakt door opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , waarin is vermeld: "Op dinsdag 02 Juni 2020, omstreeks 07:35 uur heeft [betrokkene 1] onder nummer TABE3630NL op de voorgeschreven wijze bloed bij de verdachte afgenomen. De bevindingen met betrekking tot de afname zijn afzonderlijk gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen welke bij dit dossier is gevoegd." Daarnaast is gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2020, van dezelfde opsporingsambtenaren: "Op dinsdag 02 juni 2020, omstreeks 07.35 uur heeft [betrokkene 1] , dienstdoende arts, bij de verdachte op de voorgeschreven wijze bloed afgenomen. Het afgenomen bloed is onder nummer TABE3630NL, via de voorgeschreven wijze ingestuurd naar het laboratorium."

Met de verdediging constateert het hof dat zich in het dossier niet een als zodanig aangemerkt proces-verbaal van de bloedafname bevindt. Wel bevat het dossier - naast voormelde processen-verbaal - een ‘Aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed’. Dit formulier is ondertekend door politieambtenaar [verbalisant 2] , hulpofficier van justitie [betrokkene 2] en arts [betrokkene 1] . Het hof stelt op basis van dit document vast dat het bloedonderzoek bij de verdachte is verricht door een arts door middel van een venapunctie en dat er bij de bloedafname twee buisjes bloed zijn afgenomen, hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft beaamd. Ook heeft de verdachte op die zitting verklaard dat er bij de bloedafname drie politieambtenaren aanwezig waren, te weten de hulpofficier van justitie en de twee politieambtenaren die hem hadden aangehouden. Daarnaast is in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2022 aan het dossier toegevoegd waaruit volgt dat er een politieambtenaar bij de afname aanwezig was.

Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de politieambtenaren die het aanvraagformulier hebben ondertekend, bij de bloedafname aanwezig zijn geweest. Verder stelt het hof vast dat dit aanvraagformulier de in art 13, eerste lid, onder a, Besluit bedoelde gegevens bevat betreffende de identiteit van de verdachte. Op het document zijn verder twee identiteitszegels aangebracht waarvan een de vermelding ‘analyse’ en de ander de vermelding ‘tegenonderzoek’ draagt. De identiteitszegels bevatten ieder een streepjescode en nummer (het hof begrijpt: een sporenidentificatienummer, dat ook in het proces-verbaal van 5 juni 2020 is vermeld). Dit alles beziend komt het hof tot de conclusie dat de door twee politieambtenaren ondertekende ‘Aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed’ alle informatie bevat die volgens artikel 13, eerste lid, onder a, Besluit in een proces-verbaal zou moeten worden opgenomen. Hoewel het bepaalde in artikel 13, eerste lid, onder a van het Besluit tot de - hiervoor bedoelde - strikte waarborgen moet worden gerekend, hoeft aan het niet opmaken van een volledig proces-verbaal daaromtrent in dit geval geen gevolg te worden verbonden nu uit het dossier anderszins blijkt dat aan de vereisten van het Besluit is voldaan. Het ontbreken van dit (volledige) proces-verbaal brengt echter wel mee dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de verdachte door dit vormverzuim geen nadeel heeft ondervonden, zodat het hof reeds om die reden zal volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim en hier verder geen gevolgen aan zal verbinden.

Ten aanzien van de wijze van bloedafname, art. 12 Besluit

Ten tweede heeft de raadsvrouw betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de bloedafname is geschied door middel van een venapunctie.

Dat standpunt ziet eraan voorbij dat, zoals hiervoor is overwogen, uit voornoemde door twee politieambtenaren en een arts ondertekende aanvraag, het tegendeel volgt, zodat het verweer feitelijke grondslag mist en om die reden wordt verworpen.

Ten aanzien van de mededeling van het recht op tegenonderzoek, art. 13, tweede lid, Besluit

Ten derde heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte bij de bloedafname niet gewezen is op het recht op tegenonderzoek conform artikel 13, tweede lid, Besluit.

Het hof is met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte bij de bloedafname gewezen is op het recht op tegenonderzoek. Anders dan de raadsvrouw is het hof echter van oordeel dat het ‘bij de bloedafname' mededelen van ‘het recht op een tegenonderzoek’, zoals voorgeschreven in artikel 13, tweede lid, Besluit, niet moet worden gerekend tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld, in art. 8 WVW 1994 is omringd. Voor de betrouwbaarheid van (het resultaat van) het bloedonderzoek is - anders dan bij een ademonderzoek - niet noodzakelijk dat dit onderzoek terstond wordt uitgevoerd en dat de verdachte om die reden ook direct van dat recht op tegenonderzoek op de hoogte wordt gesteld. Sterker nog, het bloedonderzoek vindt plaats op een (veel) later moment en op een andere locatie dan die van de bloedafname. Uit het bepaalde in artikel 13, tweede lid, Besluit volgt bovendien dat dit recht op tegenonderzoek eerst opgeld doet “indien het verslag van het bloedonderzoek (....) het vermoeden bevestigt” dat de verdachte - kort gezegd - te veel heeft gedronken. Verder is van belang dat bij de bloedafname standaard, en ook in dit geval, een tweede buisje bloed wordt afgenomen ten behoeve van een tegenonderzoek, zodat ook in zoverre het ontbreken van de mededeling bij de bloedafname niet afdoet aan de mogelijkheid van een tegenonderzoek. In dit alles ligt besloten dat het enkele feit dat een verdachte niet bij de bloedafname wordt gewezen op het recht op tegenonderzoek er als zodanig niet toe leidt dat geen (betrouwbaar) tegenonderzoek meer kan plaatsvinden (vergelijk HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:593).

Het voorgaande laat onverlet dat het bepaalde in artikel 13, tweede lid, Besluit niet is nageleefd, althans daar gaat het hof bij gebreke van het gebleken tegendeel van uit, en dat hiermee sprake is van een vormverzuim als bedoel in artikel 359a Sv. De verdachte is echter wel op twee andere momenten gewezen op het recht op tegenonderzoek. Uit het dossier blijkt dat aan de verdachte op 2 juni 2020 op het politiebureau een rijverbod is opgelegd en dat hij er daarin op is gewezen dat hij recht heeft op een tegenonderzoek als bij hem bloed is afgenomen. Voorts is de verdachte bij brief van 2 juli 2020, waarin hem de uitslag van het bloedonderzoek is medegedeeld, eveneens op dit recht gewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte gezegd dat hij van het recht op een tegenonderzoek op de hoogte was maar dat hij vanwege financiële redenen en na overleg met zijn advocaat, heeft besloten geen gebruik van dat recht te maken. Ook ten aanzien van dit verzuim geldt daarom dat de verdachte daarvan geen nadeel heeft ondervonden, zodat reeds om die reden wordt volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.

Ten aanzien van art. 16 Besluit, onderzoek binnen twee weken

Ten vierde heeft de raadsvrouw betoogd dat niet conform artikel 16 (oud) Besluit is gehandeld nu het afgenomen bloed niet binnen twee weken na ontvangst door de onderzoeker is onderzocht.

Het hof gaat ervanuit dat de destijds geldende termijn van twee weken inderdaad met enkele dagen is overschreden, nu het bloed door de onderzoeker (het laboratorium) is ontvangen op 3 juni 2020, de rapportdatum 22 juni 2020 is en uit het dossier niet blijkt wanneer het onderzoek is verricht. Het voorschrift dat het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes met bloed wordt verricht, vormt geen strikte waarborg (vergelijk Hoge Raad 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567). Dit voorschrift staat niet in verband met de betrouwbaarheid van de resultaten van het bloedonderzoek. Wel is in zoverre sprake van een vormverzuim. Ook hier geldt echter dat niet is gebleken - en ook niet gesteld - welk nadeel, de verdachte daarvan heeft ondervonden zodat reeds daarom de enkele constatering van het verzuim volstaat.

Ten aanzien van art. 17 Besluit, termijn kennisgeving

Ten vijfde stelt de raadsvrouw dat ook in strijd met het bepaalde in artikel 17 Besluit is gehandeld nu uit het dossier niet valt af te leiden of de opsporingsambtenaar de verdachte binnen één week na ontvangst van het onderzoeksverslag schriftelijk in kennis heeft gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek. De verdachte heeft aangevoerd dat hij pas half augustus (het hof begrijpt: 2020) op de hoogte is geraakt van de uitslag.

Artikel 17 van het Besluit schrijft voor dat de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. De uitslag van het bloedonderzoek dateert van 22 juni 2020. Omdat er in een proces-verbaal van bevindingen is vermeld dat de uitslag van het bloedonderzoek op vrijdag 3 juli 2020 door de politie is ontvangen en de brief waarin de verdachte de uitslag van dit onderzoek wordt medegedeeld is gedateerd op 2 juli 2020, gaat het hof er vanuit dat tenminste één van deze data onjuist is. Dat leidt ertoe dat niet met zekerheid kan worden bepaald wanneer de politie de uitslag heeft ontvangen. Aldus kan het hof niet uitsluiten dat de in artikel 17 van het Besluit bedoelde termijn is overschreden met (maximaal) enkele dagen. Zelfs als daarvan, ten voordele van de verdachte, veronderstellenderwijs wordt uitgegaan levert dit niet een vormverzuim op waarop anders dan met de enkele constatering hoeft te worden volstaan, omdat niet is gebleken dat de verdachte aan het enkele overschrijden van die termijn enig nadeel heeft ondervonden. Ten overvloede en in reactie op het standpunt van de raadsvrouw overweegt het hof dat van een strikte waarborg geen sprake is.

Ten aanzien van art. 12 Besluit, termijn 90 minuten

Ten zesde heeft de raadsvrouw bepleit dat er sprake is van een overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 12, derde lid, Besluit.

Die termijn is evenwel niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol, zoals de laatste volzin van die bepaling luidt.

Ten aanzien van de consultatiebijstand

Ten zevende heeft de raadsvrouw betoogd dat ‘het recht op aanwezigheid en bijstand van een advocaat tijdens het verhoor’ is geschonden en daarom sprake is van een vormverzuim.

Wat hier verder ook van zij, door de verdediging is ten aanzien van dit gestelde verzuim niet een verweer gevoerd dat voldoet aan de daaraan op grond van de jurisprudentie te stellen eisen zodat het hof dit verweer verder onbesproken zal laten. Wel merkt het hof ten overvloede op dat de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs wordt gebruikt.

Concluderend

Afrondend overweegt het hof nog het volgende. Zoals uit. het voorgaande blijkt, verdient het dossier in deze zaak geen schoonheidsprijs; er hebben meerdere vormverzuimen plaatsgevonden. Geen van die vormverzuimen heeft echter geleid tot twijfels ten aanzien van de betrouwbaarheid van de uitslag van het bloedonderzoek of enig ander gebleken nadeel voor de verdachte tot gevolg gehad, zodat telkens is volstaan met de enkele constatering van het verzuim. Bij die stand van zaken maakt ook de omstandigheid dat er sprake is van meerdere vormverzuimen niet dat daarmee het recht op een eerlijk proces is geschonden en het ‘noodzakelijk ter verzekering van het eerlijk proces’ is dat het resultaat van het bloedonderzoek wordt uitgesloten van het bewijs, zoals de raadsvrouw heeft bepleit. Gelet op het voorgaande wordt het tot vrijspraak strekkende verweer in alle onderdelen verworpen.”

Het verweer van de verdediging

6. De raadsvrouw van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 juli 2022 het woord gevoerd overeenkomstig de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota en daaraan tijdens de terechtzitting nog het een en ander toegevoegd. Deze pleitnota en toevoegingen, die ik hieronder tussen vierkante haakjes en onderstreept zal weergeven, houden, voor zover hier van belang, het volgende in:

“1. Ik verzoek u primair cliënt vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd nu voorschriften genoemd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) niet zijn nageleefd. Deze voorschriften behoren tot de strikte waarborgen waarmee het bloedonderzoek is omringd en de niet-naleving daarvan brengt mee dat het bloedonderzoek van 22 juni 2020 dient te worden uitgesloten van het bewijs.

2. Conform artikel 12 lid 1 van het Besluit dient een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af te nemen of, indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, dit af te nemen door middel van een infuus. In afwijking daarvan mag de arts of verpleegkundige ook één buisje bloed van de verdachte afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is twee buisjes bloed van hem af te nemen.

3. In het proces-verbaal staat omtrent de afname van het bloed niets vermeld. Derhalve valt op basis van het proces-verbaal niet vast te stellen of het bloed middels een venapunctie of infuus is afgenomen hetgeen conform artikel 12 lid 1 van het Besluit wel dient te worden vastgesteld. Conform artikel 13 lid 1 van het Besluit dient bij de bloedafname een opsporingsambtenaar aanwezig te zijn en dient deze zich ervan te vergewissen dat het afgenomen bloed conform het Besluit, dus ook conform artikel 12 lid 1 van het Besluit is geweest. Vervolgens dient de opsporingsambtenaar zich ervan te vergewissen dat het bloed conform het besluit dient te zijn gewaarmerkt, te worden voorzien van een SINsticker, direct te worden verpakt en verzegeld en te worden verzonden naar het NFI. Normaliter wordt hiervan in de bewoording van standaard tekstblokken melding gemaakt in het proces-verbaal ten einde te kunnen controleren of conform het Besluit is gehandeld. Over de aanwezigheid van de opsporingsambtenaar bij de bloedafname [en dat zij zich ervan hebben vergewist dat er conform het Besluit is gehandeld tijdens de bloedafname] is in het proces-verbaal niets vermeld. Cliënt geeft aan dat zij aanwezig waren in de ruimte, maar cliënt weet niet of de verbalisanten ook toezicht hebben gehouden en zich ervan hebben vergewist dat de bloedafname conform het Besluit is gegaan. Ook in het aanvullend proces-verbaal van 18 maart 2022 staat enkel een verbalisant aanwezig is geweest, maar ook hier staat niet of deze verbalisant zich heeft vergewist dat de bloedafname conform het Besluit is gegaan. Hierover staat nou net niets in de processen-verbaal. Op de Aanvraag ten behoeve van Toxicologisch onderzoek van bloed (hierna: Aanvraagformulier) staat aangegeven dat het bloed middels venapunctie is afgenomen. Niet kan worden vastgesteld of bij de bloedafname, en dus bij het invullen van het Aanvraag formulier een opsporingsambtenaar aanwezig is geweest. Het Aanvraagformulier is door een opsporingsambtenaar ondertekend, maar onduidelijk blijft of toen het gedeelte over de bloedafname, waaronder het gebruik van de venapunctie, al was ingevuld. Immers het gedeelte "in te vullen door laboratorium" op het Aanvraagformulier wordt zoals we zien in het Aanvraagformulier gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van 4 juli 2020 ook pas later ingevuld door het labo bij ontvangst van het bloed terwijl de handtekening van de verbalisant er op dat moment al op staat. Het lijkt daarmee dat de handtekening van de verbalisant enkel ziet op het gedeelte "in te vullen door politie/KMAR" en niet op de overige blokken van het Aanvraagformulier. Nu niet is gebleken dat een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig is geweest en diens handtekening niet ziet op het tekstblok "in vullen door arts of verpleegkundige" kan niet worden gesteld de bloedafname, waaronder het gebruik van de venapunctie, conform het Besluit is gebeurd.

4. Daarnaast dient de verdachte bij de afname van het bloed te worden gewezen op het recht op tegenonderzoek conform artikel 13 lid 2 van het Besluit. Ook hiervan is geen melding gemaakt in het proces-verbaal. Cliënt geeft aan dat hij pas in augustus op de hoogte is geraakt van het recht op tegenonderzoek. De Hoge Raad heeft op 22 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:92) geoordeeld dat het verzuim om te wijzen op het recht op tegenonderzoek behoort tot de strikte waarborgen. In het appelschriftuur betoogt het Openbaar Ministerie dat dit verzuim - kort gezegd - enkel opgaat wanneer sprake is van een ademonderzoek nu het arrest ziet op de vraag of het wijzen op het recht op tegenonderzoek ex art. 11 lid 1 van het Besluit behoort tot het stelsel van strikte waarborgen. Daarbij zou volgens het Openbaar Ministerie door de Hoge Raad aansluiting zijn gezocht bij de overwegingen van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden omtrent de feitelijke effectuering van het tegenonderzoek dat alleen direct na het ademonderzoek mogelijk is.

5. In het arrest van de Hoge Raad wordt het volgende vermeld “Het Hof heeft geoordeeld dat de verplichting tot mededeling van dat recht op een tegenonderzoek moet worden gerekend tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede en derde lid, WVW 1994 is omringd. Dat oordeel is juist. Anders dan het middel - in navolging van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingenomen standpunt - betoogt, is art. 359a Sv hier niet van toepassing.” Daarmee bevestigt de Hoge Raad enkel de door het Hof getrokken conclusie dat het wijzen op het recht op tegenonderzoek ex artikel 11 lid 2 van het Besluit behoort tot het stelsel van de strikte waarborgen. Door de Hoge Raad wordt de redenering van het Gerechtshof niet overgenomen, maar enkel de conclusie.

6. Indien de Hoge Raad meent dat het wijzen op het recht op tegenonderzoek bij het mededelen van het resultaat van het ademonderzoek ex artikel 11 lid 2 van het Besluit behoort tot het stelsel van de strikte waarborgen dan dient dit ook te gelden voor het wijzen op het recht op tegenonderzoek bij de bloedafname ex artikel 13 lid 2 van het Besluit. Immers ook dit is een verplichting op grond van het Besluit. Derhalve kan niet worden gesteld dat conform art. 13 lid 2 van het Besluit is gehandeld.

7. In het proces-verbaal is vermeld dat de kennisgevingsbrief van de uitkomst van het labonderzoek op 2 juli 2020 aan het adres van cliënt is verzonden. Echter staat in het proces-verbaal van bevindingen vermeld dat de uitslag van het onderzoek pas op 3 juli 2020 is ontvangen. Het zou kunnen dat hierbij sprake is van een schrijffout omtrent de genoemde datum. Desalniettemin valt hieruit niet af te leiden of de opsporingsambtenaar cliënt conform artikel 17 van het Besluit binnen één week na ontvangst van het onderzoeksverslag schriftelijk in kennis heeft gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Cliënt geeft aan dat hij pas half augustus deze kennisgevingsbrief heeft ontvangen en daarmee pas op de hoogte was van het recht op tegenonderzoek. Dat zou kwalijk zijn nu daarmee het recht op tegenonderzoek niet meer geeffectueërd kan worden nu hiervoor, zoals vermeld in de kennisgevingsbrief een termijn van 2 weken na dagtekening van de brief wordt gesteld. Het recht op tegenonderzoek vervalt daarmee. Het feit dat cliënt na ontvangst van de brief heeft afgezien maakt derhalve niet uit. De mogelijkheid tot het verrichten van het tegenonderzoek was op dat moment al niet meer mogelijk. De mailwisseling waarnaar de Advocaat-Generaal verwijst van mijn collega ziet enkel op de invordering van het rijbewijs. Daaruit kan niet worden opgemaakt dat cliënt op dat moment de brief met daarin de uitslag van het bloedonderzoek al was ontvangen. Pas nadat men op de hoogte is van de uitkomst van het onderzoek kan een afweging over het al dan niet gebruikmaken van het tegenonderzoek worden gemaakt. Het feit dat hij daarvoor een advocaat heeft gesproken maakt dit niet anders. Gelet op voorgaande kan niet worden vastgesteld of conform artikel 17 van het Besluit is gehandeld.

[…]

9. Concluderend valt op basis van de onderliggende stukken niet vast te stellen of het bloed bij cliënt is afgenomen, gewaarmerkt, gestickerd, verpakt en verzonden conform artikelen 12 lid 1 en 13 lid 1 van het Besluit. Daarnaast is cliënt niet bij het bloedonderzoek conform de in artikel 13 lid 2 van het Besluit genoemde wijze gewezen op het recht tegenonderzoek te laten verrichten. Daarnaast kan niet worden vastgesteld of de kennisgevingbrief conform de in artikel 17 van het Besluit getelde termijn aan cliënt is verzonden. Eveneens is het onderzoek naar diens bloed gelet op de in artikel 16 van het Besluit genoemde termijn niet tijdig geweest. Deze artikelen beogen in de ogen van de verdediging de betrouwbaarheid van het onderzoek te waarborgen en behoren daarmee tot het stelsel van strikte waarborgen. Schending daarvan betekent dat geen sprake is geweest van een onderzoek in de zin van art. 8 Wegenverkeerswet 1994 (hierna WvW). Op grond daarvan verzoek ik u het resultaat van het bloedonderzoek uit te sluiten van het bewijs. Gegeven het feit dat het bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW niet aan het bewijs kan meewerken, is alleen de ademtest op straat voorhanden. Dit is onvoldoende voor een veroordeling. Reden waarom ik u vraag cliënt bij gebreke van bewijs vrij te spreken.

Subsidiair

10. Indien u meent dat bovengenoemde schendingen niet behoren tot het stelsel van strikte waarborgen dan dienen zij in ieder geval te worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in art. 359a SV. Ditzelfde geldt voor de overschrijding van de 90 minuten termijn in casu gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:619). Tussen de blaastest op straat om 05:24 uur en de bloedafname om 07:35 uur zit een termijn van 131 minuten, hetgeen een overschrijding van de termijn genoemd in artikel 12 lid 3 van het Besluit met 41 minuten bedraagt en daarmee een schending van dit artikel.

[subsidiair, indien u meent dat bovenvermelde schendingen op zichzelf of tezamen niet behoren tot de strikte waarborgen, dan verzoek ik deze aan te merken als onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering].

11. Cliënt heeft daarnaast onterecht geen gebruik mogen maken van het recht op verhoorbijstand van zijn advocaat. In het proces-verbaal van verhoor is opgenomen dat de hulpofficier van justitie na toestemming van de officier van justitie heeft besloten dat het verhoor gestart of voortgezet kon worden zonder dat de advocaat tot het verhoor werd toegelaten om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. Van een dergelijke situatie was in de ogen van de verdediging geen sprake. Een nadere toelichting waarom dit wel zou zijn geweest, wordt in het proces-verbaal niet gegeven. Hieromtrent zijn nadere vragen gesteld aan de verbalisant. Op 29 juni 2020 is hierover een aanvullend proces-verbaal opgemaakt waarin de desbetreffende verbalisant - kort gezegd - aangeeft geen voorstelling meer te hebben van de werkwijze zoals deze is gerelateerd in het proces-verbaal. Duidelijk is dat cliënt graag wilde dat zijn advocaat bij het verhoor aanwezig was en heeft dit ook meermalen aangegeven.

12. Een aangehouden verdachte heeft het recht op aanwezigheid en bijstand van een advocaat tijdens zijn verhoor door de politie. Een verdachte kan uitdrukkelijk, dan wel stilzwijgend, maar in elk geval ondubbelzinnig afstand doen van dat recht. In dit geval heeft cliënt uitdrukkelijk verzocht om verhoorbijstand van een advocaat. Dit brengt met zich dat, doordat verdachte niet de gelegenheid is geboden om zich bij zijn verhoor door de politie te laten bijstaan door een advocaat dit recht is geschonden en daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a SV.

13. De vraag resteert of rekening houdend met artikel 359a Sv een gevolg dient te worden verbonden aan al deze vormverzuimen. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het belang dat met al deze geschonden voorschrift wordt gediend, is het belang van rechtsbescherming voor een verdachte en om de juistheid en betrouwbaarheid van het onderzoek in de zin van art. 8 WvW te waarborgen. Wellicht dat elk vormverzuim op zichzelf nog niet de betrouwbaarheid van het bloedonderzoek aantast, maar gesteld wordt dat de veelheid aan vormverzuimen in de hele keten in samenhang bezien dat wel doet. Daaruit volgt dat niet langer kan worden gesteld dat sprake is van een juist en betrouwbaar onderzoek in de zin van art. 8 WvW en dat vanwege de veelheid aan vormverzuimen het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM niet langer gewaarborgd is. Derhalve is uitsluiting van het resultaat van het bloedonderzoek noodzakelijk ter verzekering van het eerlijk proces van cliënt.

[ik vraag u om dat als gevolg aan het vormverzuim te verbinden].”

De cassatiemiddelen

Het eerste middel

7. Het middel keert zich, mede in het licht van hetgeen de raadsvrouw van de verdachte daaromtrent op te terechtzitting heeft aangevoerd, tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een rechtsgeldig onderzoek als bedoeld in art. 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994). Blijkens de toelichting daarop gaat het de steller van het middel vooral om het oordeel van het hof over het recht van tegenonderzoek als bedoeld in art. 13 lid 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) en het oordeel van het hof dat er wegens een gebrek aan nadeel geen rechtsgevolgen aan de geconstateerde gebreken hoeven te worden verbonden.

Het juridisch kader

8. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

- Art. 8 lid 3 WVW 1994 (voor zover relevant):

“3. In afwijking van het tweede lid is het de bestuurder van een motorrijtuig voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, verboden dat motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

[…]

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,2 milligram per milliliter bloed,

indien:

[…]

3°. […] sedert de datum waarop hem voor het eerst een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en hij op het tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B nog niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, ongeacht of hij op dat tijdstip van afgifte van het rijbewijs voor de categorie B al in het bezit was van een rijbewijs voor de categorie AM of T.”

- Art. 13 lid 2 BADG:

“De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft, indien het verslag van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 16, tweede lid, het vermoeden bevestigt dat hij artikel 8, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 […] heeft overtreden, tenzij de bloedafname in het kader van een tegenonderzoek geschiedt.”

- Art. 17 BADG: “De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.”

9. De tenlastelegging is toegesneden op art. 8, derde lid, WVW 1994. Daarom moet worden aangenomen dat het in de tenlastelegging (en bewezenverklaring) voorkomende begrip ‘onderzoek’ is gebruikt in de betekenis die dat bestanddeel in die bepaling heeft.

10. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan enkel sprake zijn van een ‘onderzoek’ als bedoeld in art. 8 WVW 1994 wanneer de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten heeft omringd. Dergelijke waarborgen worden ook wel strikte waarborgen genoemd. Is een dergelijke strikte waarborg naar het oordeel van de rechter niet nageleefd, dan mag het resultaat van het desbetreffend verrichte onderzoek niet tot het bewijs worden gebezigd.

De bespreking van het cassatiemiddel

11. In de toelichting op het middel wordt een aantal onderdelen uit het ter terechtzitting gevoerde verweer herhaald. Ik noem:

(i) art. 13 lid 1 aanhef en onder a BADG is niet nageleefd, omdat uit het dossier niet blijkt dat bij de bloedafname een opsporingsambtenaar aanwezig is geweest die zich ervan heeft vergewist dat de bloedafname conform het Besluit is geweest en daarvan proces-verbaal heeft opgemaakt;

(ii) de wijze waarop het bloed bij de verdachte is afgenomen, is niet verlopen conform hetgeen is bepaald in art. 12 BADG;

(iii) de verdachte is bij de bloedafname niet medegedeeld dat hij recht heeft op tegenonderzoek zoals voorgeschreven in art. 13 lid 2 BADG;

(iv) het buisje bloed van de verdachte is niet zo spoedig mogelijk bezorgd bij het desbetreffende laboratorium en ook is het bloedonderzoek niet binnen twee weken na ontvangst verricht (art. 13 lid 1 aanhef en onder d en art. 16 lid 1 BADG).

12. Ik lees het middel in samenhang met de toelichting in de kern aldus, dat eensdeels wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat art. 13 lid 2 BADG (mede in verbinding met art. 17 BADG) moet worden begrepen als een strikte waarborg, en anderdeels wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat er wegens een gebrek aan nadeel geen rechtsgevolgen aan de geconstateerde gebreken hoeven te worden verbonden.

13. Het hof heeft geoordeeld dat de mededeling van het recht op tegenonderzoek bij de bloedafname geen strikte waarborg is als bedoeld in art. 8 WVW 1994. Dat oordeel wordt met verwijzing naar HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:593 ondersteund met het argument dat het, anders dan bij een ademonderzoek, voor de betrouwbaarheid van (het resultaat van) het bloedonderzoek “niet noodzakelijk [is] dat dit onderzoek terstond wordt uitgevoerd en dat de verdachte om die reden ook direct van dat recht op tegenonderzoek op de hoogte wordt gesteld”. Wel levert in het onderhavige geval de niet-naleving van deze bepaling door het te laat doen van de mededeling een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv op, aldus het hof. Naar het oordeel van het hof kan met de enkele constatering daarvan worden volstaan, nu de verdachte door dit verzuim geen nadeel heeft ondervonden.

14. In het, in cassatie voorliggende, dossier bevinden zich de navolgende stukken:

- een voor de verdachte bestemde beschikking rij- en/of begeleidingsverbod d.d. 2 juni 2020 (PL1300-2020113895-06), waarin staat opgenomen dat de verdachte recht heeft op tegenonderzoek en de werkwijze daarvan wordt uitgelegd in de uitslagbrief die de verdachte van de politie ontvangt;

- een tot de verdachte gerichte brief d.d. 2 juli 2020 met de uitslag van het onderzoek en de mededeling dat de verdachte het recht heeft tegenonderzoek te laten verrichten en dat dit recht op tegenonderzoek vervalt als niet binnen twee weken na dagtekening van de brief de onderzoekskosten voor het onderzoek zijn voldaan;

- een proces-verbaal van bevinding (nummer PL1300-2020113895-8) d.d. 4 juli 2020, waarin de verbalisant heeft gerelateerd dat hij op 3 juli 2020 de uitslag van het bloedonderzoek contra de verdachte heeft ontvangen en dat de uitslag van het bloedonderzoek middels een schrijven aan de verdachte is medegedeeld.

15. In het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 juli 2022 is de volgende verklaring van de verdachte opgenomen:

“De uitslag van het bloedonderzoek heb ik vernomen via een brief half augustus (het hof begrijpt: 2020). Ik schrok daarvan. Ik heb toen contact opgenomen met mijn advocaat. Ik heb op advies van mijn advocaat, en omdat de kosten voor een tegenonderzoek voor eigen rekening zijn, niet verzocht om een tegenonderzoek te laten verrichten.”

16. De steller van het middel herhaalt en neemt over het betoog van de raadsvrouw van de verdachte, waarin wordt aangenomen dat de brief met kennisgeving van de resultaten van het bloedonderzoek niet op de dagtekening, dus 2 juli 2020, is verzonden, maar pas veel later, nu de verdachte te kennen heeft gegeven pas half augustus de uitslag te hebben vernomen. Dat een tegenonderzoek in deze zaak achterwege is gebleven, heeft er volgens de verdediging en de steller van het middel mee te maken dat de termijn van twee weken (na dagtekening van de kennisgevingsbrief) die geldt voor het doen verrichten van tegenonderzoek, op dat moment al was verstreken en dit recht dus niet meer geeffectueerd kon worden.

17. Dat het hof – gelet op de stukken die zijn weergegeven in randnummer 14, waaruit blijkt dat, zoals het hof heeft vastgesteld, de verdachte op twee andere momenten is gewezen op het recht van tegenonderzoek, en met een beroep op het arrest van HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:593 – heeft geoordeeld dat art. 13 lid 2 BADG geen strikte waarborg is, zodat in het onderhavige geval niet gezegd kan worden dat er in dat verband geen rechtsgeldig onderzoek in de zin van art. 8 WVW 1994 heeft plaatsgevonden, berust niet op een verkeerde rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat weliswaar sprake is van een vormverzuim, maar de verdachte daarvan en van de andere gebreken geen nadeel heeft ondervonden, zodat met de enkele constatering van het vormverzuim kan worden volstaan.

18. Het middel faalt op beide onderdelen.

Het tweede middel

19. De klacht luidt dat het hof niet toereikend heeft gemotiveerd waarom het ter terechtzitting gevoerde verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv wegens schending van het recht op aanwezigheid en bijstand van een advocaat tijdens het verhoor niet zou voldoen aan de daaraan op grond van de jurisprudentie te stellen eisen ten aanzien van dit gestelde verzuim.

20. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, voldoet volgens het hof niet aan de eisen die in de rechtspraak aan een 359a-verweer worden gesteld en is daarom onbesproken gelaten. Uit de ‘359a-jurisprudentie’ volgt dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van dat artikel zijn genoemd, dat wil zeggen het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden.

21. Het pleidooi van de raadsvrouw was zo opgebouwd dat na de primaire stelling dat een aantal ‘strikte waarborgen’ in het kader van de BADG niet zijn nageleefd, subsidiair het verweer werd gevoerd dat als de door haar genoemde nalatigheden (schendingen) in het onderzoek naar het alcoholpercentage in het bloed van de verdachte niet kunnen worden aangemerkt als strikte waarborgen, deze in elk geval moeten worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv. In de randnummers 11 en 12 van haar pleitnota wijst de raadsvrouw op nog een ander vormverzuim dat volgens haar heeft plaatsgevonden, namelijk dat de verdachte geen gebruik heeft mogen maken van het recht op verhoorbijstand van zijn advocaat tijdens het politieverhoor terwijl hij die bijstand wel zou hebben gewild.

22. In randnummer 13 van de pleitnota werpt de raadsvrouw de vraag op welk rechtsgevolg aan “al deze vormverzuimen” moet worden verbonden. Ik benadruk dat de verschillende door de verdediging geconstateerde vormverzuimen hier als geheel onder één noemer worden gebracht. Zonder daarbij in echt duidelijke bewoordingen in te gaan op de factoren als bedoeld in 359a lid 2 Sv, komt de raadsvrouw tot de slotsom dat door de veelheid aan vormverzuimen het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM niet langer gewaarborgd is, zodat bewijsuitsluiting van het resultaat van het bloedonderzoek noodzakelijk is ter verzekering van een eerlijk proces aangaande de verdachte.

23. Dat het hof heeft geoordeeld dat het verweer niet voldoet aan de eisen die in de rechtspraak aan een ‘359a-verweer’ worden gesteld, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. De in art. 359a lid 2 Sv bedoelde factoren worden in het verweer immers niet of in ieder geval onvoldoende ter sprake gebracht, en de conclusie van de raadsvrouw dat het resultaat van het bloedonderzoek van het bewijs dient te worden uitgesloten, volgt in het pleidooi van de raadsvrouw niet (zozeer) uit haar punt dat de verdachte geen gebruik heeft kunnen maken van verhoorbijstand, maar uit de “veelheid van vormverzuimen”. Verwonderlijk is deze insteek van de raadsvrouw overigens niet. De bloedafname heeft immers vóór het verhoor van de verdachte plaatsgevonden en maakt dus van dat verhoor in geen enkel opzicht deel uit. Daarbij zij nog opgemerkt dat de verklaring die wél onder dat door de raadsvrouw aangemerkte vormverzuimen valt – dit is de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd – door het hof niet voor het bewijs is gebruikt; het hof heeft daarop nadrukkelijk gewezen in het bestreden arrest.

24. Het middel faalt derhalve.

Ambtshalve opmerking

25. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Gelet op de opgelegde straf kan in dat verband echter worden volstaan met een constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Slotsom

26. Beide cassatiemiddelen falen.

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Ik begrijp althans dat deze toevoeging hier moet worden geplaatst. Zie HR 16 februari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AD6952, NJ 1982/385, HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567, NJ 2022/239, m.nt. Vellinga en HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853. Vgl. daarnaast ook HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684. Zie HR 14 maart 1978, ECLI:NL:HR:1978:AD6940, NJ 1978/385, m.nt. Van Veen, HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206, NJ 2012/350 en HR 11 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3043, NJ 2011/486. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma (rov. 3.5); HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. Keulen; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, m.nt. Jörg; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890, NJ 2021/170, m.nt. Jörg. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Buruma (rov. 3.7).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?