HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01128
Datum 19 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2022, nummer 20-002385-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Marcus, advocaat te Goirle, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
Namens de verdachte is op 24 juli 2019 hoger beroep ingesteld.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer aangevoerd:
“In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf.”
Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld.
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2024.