ECLI:NL:HR:2024:413

ECLI:NL:HR:2024:413, Hoge Raad, 19-03-2024, 22/01128

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 19-03-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/01128
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2024:311
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2022:2590
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 7 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Mishandeling (art. 300.1 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr) van vriendin op straat. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsvrouw m.b.t. overschrijding van redelijke termijn in hoger beroep (“In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf”)? Gelet op wat raadsvrouw heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn, had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in ‘s hofs uitspraak ontbreekt, is middel in zoverre terecht voorgesteld. HR doet zaak zelf af door ervan uit te gaan dat redelijke termijn van berechting a.b.i. art. 6.1 EVRM bij behandeling van zaak in h.b. is overschreden. In het licht van opgelegde gevangenisstraf van 1 maand, is er geen aanleiding om aan oordeel dat bij berechting van zaak in h.b. redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 22/01128

Datum 19 maart 2024

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2022, nummer 20-002385-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Marcus, advocaat te Goirle, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Namens de verdachte is op 24 juli 2019 hoger beroep ingesteld.

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer aangevoerd:

“In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf.”

Gelet op wat de raadsvrouw heeft aangevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, had het hof hierover een gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in de uitspraak van het hof ontbreekt, is het cassatiemiddel in zoverre terecht voorgesteld.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van één maand, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden.

De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2024/784 RvdW 2024/371
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?