HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/00787 P
Datum 25 juni 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 1 maart 2022, nummer 22-002371-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
De beroepen zijn ingesteld door de betrokkene en het openbaar ministerie. Cassatiemiddelen zijn namens de betrokkene niet voorgesteld.
Het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep en tot verwerping van het namens het openbaar ministerie ingestelde beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van de betrokkene
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de betrokkene een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de betrokkene niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 in samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld
Het cassatiemiddel klaagt dat de gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel berust op onjuiste gronden. Daartoe wordt aangevoerd dat, als een cassatiemiddel van het openbaar ministerie in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt doel treft en de Hoge Raad het arrest van het hof in de strafzaak vernietigt, aan de beslissing in de ontnemingszaak de grondslag komt te ontvallen.
Het hof heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 178.585,68.
In de strafzaak is aan de betrokkene onder 1 subsidiair tenlastegelegd dat:
“hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 januari 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
a. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten- 62.827,83 bitcoins, althans een grote hoeveelheid bitcoins (DOC-683 e.v.), en/of- een of meer geldbedrag(en) van in totaal 9.699.794,04 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en),heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt,
en/of
b. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten - 62.827,83 bitcoins, althans een grote hoeveelheid bitcoins (DOC-683 e.v.), en/of- een of meer geldbedrag(en) van in totaal 9.699.794,04 euro, althans een of meer (grote) (girale en/of contante) geldbedrag(en),de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft/hebben gemaakt.”
Daarvan heeft het hof in de strafzaak bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 maart 2015 in Nederland, meermalen
a. voorwerpen, te weten- 39.842,85 bitcoins heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, en/of van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
Het hof heeft de betrokkene in de strafzaak vrijgesproken van het onder 1 subsidiair, onderdeel b, tenlastegelegde.
De Hoge Raad heeft het arrest van het hof in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nummer 22/00406, vernietigd wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair tenlastegelegde. Dat brengt mee dat aan de beslissing in deze ontnemingszaak de grondslag is komen te ontvallen (vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536 en HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947, rechtsoverweging 2.6).
Het cassatiemiddel slaagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk;
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2024.