Nummer22/00787 P
Zitting 27 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de betrokkene
Inleiding
1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij uitspraak van 1 maart 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 178.585,68 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Namens de betrokkene is echter geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
3. Ook de advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag heeft cassatieberoep ingesteld. W.J.V. Spek, eveneens advocaat-generaal, heeft één (voorwaardelijk) middel van cassatie voorgesteld.
4. Deze ontnemingszaak maakt – tezamen met de tien samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer – deel uit van het onderzoek met de naam ‘IJsberg’. Centraal in dit onderzoek staan de handel in en het contant maken van bitcoins, waarbij een verdenking van witwassen is gerezen.
De strafzaak
5. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft het hof de verdachte onder meer wegens 1 subsidiair aanhef en eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde "schuldwitwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot zeventien maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De ontvankelijkheid van het namens de betrokkene ingestelde beroep
6. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge artikel 437 lid 2 Sv juncto artikel 511h Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Het namens het OM ingediende middel
7. Het middel betreft een voorwaardelijk middel, waarbij de voorwaarde inhoudt dat een of meer van de door het OM in de strafzaak voorgestelde middelen slaagt of slagen.
8. De vraag die voorligt is of het voorgestelde middel in behandeling kan worden genomen, of onbesproken moet blijven. In HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947 (OM-cassatie), heeft de Hoge Raad zich hierover uitgelaten:
“2.3. Het middel is klaarblijkelijk voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het in 's Hofs overwegingen bedoelde arrest van het Hof in de hoofdzaak op het daartegen ingestelde beroep in cassatie zal vernietigen. Nu de Hoge Raad bij arrest van 3 juli 2018, zaaknummer 17/00561, ECLI:NL:HR:2018:1086, dat arrest heeft vernietigd, is genoemde voorwaarde vervuld.
De Hoge Raad heeft het arrest in de hoofdzaak vernietigd op de grond dat het ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde feit ontoereikend is gemotiveerd. Dat brengt met zich dat aan de beslissing in de onderhavige zaak de grondslag is komen te ontvallen (vgl. HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4536).
Het middel treft doel.
Daarbij verdient nog opmerking dat deze behandeling van het (al dan niet voorwaardelijk ingestelde) middel van het Openbaar Ministerie afwijkt van de wijze waarop een dergelijk middel van een betrokkene wordt beoordeeld. Wanneer een cassatiemiddel van een betrokkene immers uitsluitend is gericht tegen de beslissing in de samenhangende strafzaak, wordt een dergelijk middel onbesproken gelaten (vgl. bijvoorbeeld HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0171).
Die verschillende behandeling vindt zijn rechtvaardiging hierin dat de positie van het Openbaar Ministerie in deze afwijkt van die van een betrokkene. Ten aanzien van een betrokkene geldt immers dat ingevolge het vierde lid van art. 557 Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in art. 36e Sr, eerst kan worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ingevolge art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat (vgl. HR 14 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1016, NJ 1999/75). Bovendien kan een betrokkene een beroep doen op vermindering of kwijtschelding van het in de ontnemingsmaatregel vastgestelde bedrag op de voet van art. 577b, tweede lid, Sv. De wet voorziet niet in min of meer spiegelbeeldige voorzieningen voor het openbaar ministerie.”
9. In de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak (22/00406) heb ik geconcludeerd dat de vijf door het OM voorgestelde middelen falen. Daardoor wordt de voorwaarde (wat mij betreft) niet vervuld en treft het middel geen doel.
Slotsom
10. De betrokkene is niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
11. Het namens het OM voorgestelde middel treft geen doel.
12. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad waarschijnlijk geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 7 maart 2022. Dit leidt echter niet tot cassatie in de profijtontneming, nu in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak matiging zal worden toegepast.
13. Andere ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt ertoe dat de betrokkene niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep en tot verwerping van het namens het Openbaar Ministerie ingestelde beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG