ECLI:NL:HR:2025:1432

ECLI:NL:HR:2025:1432, Hoge Raad, 30-09-2025, 23/01172

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 30-09-2025
Datum publicatie 30-09-2025
Zaaknummer 23/01172
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHDHA:2023:504
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2025:600
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 10 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Indirecte bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht door tegen reclasseringsmedewerker te zeggen dat hij naar huis van bedreigde zou gaan, hem dood zou slaan met steigerpijp en hem zo hard zou slaan dat hij niet meer op zou staan, art. 285.1 Sr. Bewijsklacht opzet. Is opzet van verdachte erop gericht dat bedreigde daadwerkelijk (via derden) op de hoogte zou raken van bedreiging? Voor veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen leven gericht is o.m. vereist dat bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van bedreiging en dat door bedreiging, gelet op aard daarvan en omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij betrokkene in redelijkheid vrees kon ontstaan dat deze leven zou kunnen verliezen (vgl. HR:2005:AT3659) en dat (voorwaardelijk) opzet van verdachte daarop was gericht (vgl. HR:1984:AC8252). Hof heeft vastgesteld dat verdachte, tijdens gesprek met medewerker van reclassering, bedreigde heeft bedreigd door te zeggen dat hij ‘nu’ naar adres van deze bedreigde gaat, hem zou ‘dood slaan met steigerpijp’ en hem ‘zo hard’ zou slaan ‘dat hij niet meer op staat’. Hof heeft geoordeeld dat gelet op aard en inhoud van uitlatingen kans aanmerkelijk was dat reclasseringsmedewerker de politie op de hoogte zou brengen van deze bedreigingen met misdrijf tegen leven gericht en dat politie vervolgens bedreigde daarvan op de hoogte zou brengen. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat bedreigde al eerder slachtoffer was geworden van een door verdachte begaan strafbaar feit, dat verdachte mogelijk wist waar bedreigde verbleef, en dat aan overbrengen van dergelijke bedreigingen aan politie, als veiligheid van personen in geding is, niet zonder meer een op reclasseringsmedewerker rustende geheimhoudingsplicht in de weg staat. Hierin ligt tevens als ’s hofs oordeel besloten dat verdachte, door onder deze omstandigheden tegenover medewerker van reclassering bedreigingen aan adres van bedreigde te uiten, bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bedreigde van die bedreigingen op de hoogte zou raken. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 23/01172

Datum 30 september 2025

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2023, nummer 22-001717-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. Römelingh bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het bewezenverklaarde opzet van de verdachte erop was gericht dat de bedreigde daadwerkelijk – via derden – op de hoogte zou raken van de bedreiging.

Het hof heeft het vonnis van de politierechter bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“hij op 14 december 2021 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] middels tussenkomst van reclasseringsmedewerker [betrokkene 1] dreigend de woorden toegevoegd:

- ‘Ik ga nu naar [a-straat] en ik sla [slachtoffer] dood met een steigerpijp’ en

- ‘Ik sla hem zo hard dat hij niet meer opstaat’.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 juni 2022, voor zover inhoudende:

Op 14 december 2021 moest ik mij melden bij Fivoor. Ik moest daar praten met een mevrouw van de reclassering. Ik heb tegen haar gezegd dat ik [slachtoffer] zou doodslaan met een stijgerpijp.

2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] , opgemaakt op 16 december 2021, voor zover inhoudende (p. 9 - 10):

Op 14 december 2021, te 14.00 uur had ik op het kantoor van de reclassering, Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag, een afspraak met [verdachte] . Ik hoorde dat hij concrete bedreigingen, gericht naar/over [slachtoffer] deed. De volgende concrete bedreiging heb ik [verdachte] horen schreeuwen:

- Ik ga nu naar de [a-straat] en sla [slachtoffer] dood met een steigerpijp.

- Ik sla hem zo hard dat hij niet meer op staat. Ik heb hem eerder gepakt en dit keer doe ik het goed.

3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt op 17 januari 2022, voor zover inhoudende (p. 7 - 8):

Ik wil aangifte doen van bedreiging tegen een man die ik ken als [verdachte] . Op 13 januari 2022 werd ik door de politie gebeld. De agente gaf aan dat zij informatie hadden dat [verdachte] bedreigingen jegens mij had gedaan. De volgende uitingen zouden zijn gedaan;

- Ik ga nu naar de [a-straat] en sla [slachtoffer] dood met een steigerpijp.

- Ik sla hem zo hard dat hij niet meer op staat. Ik heb hem eerder gepakt en dit keer doe ik het goed.

Ik voelde mij enorm bedreigd en dit heeft mij de hele dag bezig gehouden. Ik acht het zeker mogelijk dat hij dit zal waarmaken.”

In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring overwogen:

“De politierechter stelt voorop dat voor een veroordeling van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen en dat het opzet van de verdachte ook was gericht op het doen ontstaan van die vrees.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de politierechter het volgende vast.

De verdachte heeft de bedreigingen geuit tijdens een gesprek met een medewerker van de reclassering. De bedreigde was bij dat gesprek niet aanwezig. De reclasseringsmedewerker heeft verklaard dat zij schrok van de bedreiging en van het feit dat de verdachte mogelijk wist waar de bedreigde verbleef. Omwille van de veiligheid van de bedreigde heeft zij de melding gedaan bij de politie. De politie heeft verder onderzoek gedaan en de bedreigde op de hoogte gebracht van de bedreigingen. De bedreigde heeft verklaard zich bedreigd te voelen door de inhoud van deze bedreigingen. Dat de bedreiging de bedreigde heeft bereikt door middel van een schakel van de reclasseringsmedewerker en vervolgens de politie, doet niet af aan de strafbaarheid van de uitlating. Gelet op alle omstandigheden is het begrijpelijk dat de reclasseringsmedewerker de melding heeft gedaan bij de politie. Gelet op het feit dat de verdachte reclasseringscontact had in verband met een eerdere veroordeling waarbij het om hetzelfde slachtoffer ging, is de kans dat de reclasseringsmedewerker de politie op de hoogte zou brengen van de bedreigingen, en de politie vervolgens de bedreigde op de hoogte zou brengen, dan ook aanmerkelijk. Uitlatingen die gedaan worden in het kader van reclasseringscontact vallen niet zonder meer onder een geheimhoudingsplicht. Zeker als gaat om dergelijke uitlatingen waarbij de veiligheid van anderen in het geding zou kunnen komen. De inhoud en aard van de ten laste gelegde uitlating is op zichzelf reeds voldoende om als bedreigend te worden aangemerkt. In de gegeven omstandigheden levert dat op een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Uit de aard en inhoud van de uitlating stelt de politierechter voorts vast dat het opzet van de verdachte ook gericht was op het doen ontstaan van vrees bij de bedreigde.”

Voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659) en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht (vgl. HR 17 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8252).

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, tijdens een gesprek met een medewerker van de reclassering, [slachtoffer] heeft bedreigd door te zeggen dat hij ‘nu’ naar het adres van deze [slachtoffer] gaat, deze [slachtoffer] zou ‘dood slaan met een steigerpijp’ en deze [slachtoffer] ‘zo hard’ zou slaan ‘dat hij niet meer op staat’. Het hof heeft geoordeeld dat gelet op de aard en inhoud van de uitlatingen de kans aanmerkelijk was dat de reclasseringsmedewerker de politie op de hoogte zou brengen van deze bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht en dat de politie vervolgens [slachtoffer] daarvan op de hoogte zou brengen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [slachtoffer] al eerder slachtoffer was geworden van een door de verdachte begaan strafbaar feit, dat de verdachte mogelijk wist waar [slachtoffer] verbleef, en dat aan het overbrengen van dergelijke bedreigingen aan de politie, als de veiligheid van personen in het geding is, niet zonder meer een op de reclasseringsmedewerker rustende geheimhoudingsplicht in de weg staat. Hierin ligt tevens als oordeel van het hof besloten dat de verdachte, door onder deze omstandigheden tegenover de medewerker van de reclassering bedreigingen aan het adres van [slachtoffer] te uiten, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] van die bedreigingen op de hoogte zou raken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Het cassatiemiddel faalt.

3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van tien uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2025-0301 NJB 2025/2405 RvdW 2025/1082
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?