HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04194 P
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 17 mei 2023, nummer 22-004593-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep is onder meer het volgende van belang.(i) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2023 houdt onder meer in:
“De betrokkene, opgeroepen als:
(...)
is niet ter terechtzitting verschenen.
Als raadsman van de betrokkene is ter terechtzitting aanwezig mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.
(...)
De raadsman deelt mede:
Cliënt liet mij vanochtend weten dat hij last had van lichamelijke klachten, waaronder diarreeklachten. Op mijn advies heeft hij vandaag om 13.30 uur zijn huisarts bezocht. Ik heb een briefje ontvangen waarop de huisarts schrijft: “Hierbij geef ik aan dat patiënt, [verdachte] , het spreekuur heeft bezocht in verband met ziekte in algemene zin.”. Uit het briefje volgt weliswaar niet dat cliënt niet in staat is om op de zitting van vandaag te verschijnen, maar dat heeft cliënt wel tegen mij gezegd. Hij is duizelig en misselijk. Cliënt wenst gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Hij kan er niets aan doen dat hij vandaag niet aanwezig kan zijn. Het gaat in deze zaak om een substantieel geldbedrag. Gelet op dit alles verzoek ik uw hof om de behandeling van de zaak aan te houden.
(...)
Na kort onderling beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het aanhoudingsverzoek wordt toegewezen.
Desgevraagd door de voorzitter deelt de raadsman mede dat hij beschikbaar is op 17 mei 2023 om 15.00 uur.
Het gerechtshof, gehoord de raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek tot 17 mei 2023 te 15.00 uur;
beveelt de oproeping van de betrokkene en zijn raadsman voor de nadere terechtzitting.”
(ii) De uitspraak van het hof, waarbij het door de betrokkene ingestelde hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bij verstek niet-ontvankelijk is verklaard, is uitgesproken op 17 mei 2023.
(iii) Namens de betrokkene is op 27 oktober 2023 cassatieberoep ingesteld.
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 511h Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de betrokkene tevoren bekend was.
Volgens het onder 2.1 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2023 heeft de raadsman van de betrokkene daar medegedeeld dat de betrokkene tegen hem heeft gezegd dat hij wegens lichamelijke klachten niet in staat is om op de zitting van die dag te verschijnen, en heeft het hof het onderzoek vervolgens tot 17 mei 2023 geschorst. Daaruit moet worden afgeleid dat de betrokkene met de dag van de terechtzitting van het hof van 7 april 2023 tevoren bekend was en dat het onderzoek op die terechtzitting voor bepaalde tijd is geschorst. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 511h Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 17 mei 2023. Het beroep is echter pas ingesteld op 27 oktober 2023. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.