HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00675 E
Datum 22 april 2025
ROLBESLISSING
naar aanleiding van het beroep in cassatie tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam, economische kamer, van 12 december 2022, nummer 81-052745-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten Th.O.M. Dieben en O.S. Pluimer bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Daarbij is verzocht om de behandeling van het cassatieberoep te schorsen tot het gerechtshof Amsterdam einduitspraak heeft gedaan op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft in een rolconclusie geconcludeerd tot schorsing van de behandeling van het beroep in cassatie.
2. Beoordeling van het verzoek
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 december 2022 onder meer de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en 65.780 kilogram teakhout onttrokken aan het verkeer verklaard. De officier van justitie heeft op 22 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 23 december 2022 heeft de verdachte cassatieberoep doen instellen – en ook kunnen doen instellen (vgl. HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9420) – tegen dit vonnis ten aanzien van de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen teakhout.
Artikel 427 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“Hoger beroep schorst de rechtsgevolgen van beroep in cassatie; indien in de lagere aanleg een uitspraak wordt gegeven over een of meer van de vragen, bedoeld in de artikelen 351 en 352 vervalt het ingestelde beroep in cassatie.”
Nu tegen het vonnis van de rechtbank zowel hoger beroep als cassatieberoep is ingesteld, schorst het hoger beroep op grond van artikel 427 lid 4 Sv de rechtsgevolgen van het cassatieberoep.
3. Beslissing
De rolraadsheer schorst de behandeling van het cassatieberoep.
Deze beslissing is gegeven door de raadsheer C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025.