ECLI:NL:PHR:2025:423

ECLI:NL:PHR:2025:423, Parket bij de Hoge Raad, 08-04-2025, 23/02474

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 08-04-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 23/02474
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2025:834
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Conclusie AG. Beklag a.b.i. art. 552a Sv. Slagende klachten over niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag op de gronden dat (i) het klaagschrift niet binnen drie maanden na het einde van de strafzaak is ingediend en (ii) in de strafzaak reeds is beslist over de in beslag genomen voorwerpen. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing.

Uitspraak

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/02474 B

Zitting 8 april 2025

CONCLUSIE

P.M. Frielink

In de zaak

[klager] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

hierna: de klager

1. Het cassatieberoep

De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 20 juni 2023 (RK-nummer 22-026775) de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen voorwerpen.

Het cassatieberoep is op 22 juni 2023 ingesteld namens de verdachte. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag.

Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking van de rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, de zaak wordt teruggewezen en de klager niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep voor het overige.

2. Het verloop van de zaak

Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.

De klager is bij vonnis van 23 februari 2022 door de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, voor het deelnemen aan een criminele organisatie, het meermalen medeplegen van oplichting en het medeplegen van gewoontewitwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank onder meer beslist over vorderingen van de benadeelde partijen en over het beslag. Over de beslagbeslissing houdt het vonnis het volgende in:

10 BESLAG

De in beslag genomen goederen

Onder verdachte is een groot aantal goederen in beslag genomen. Als bijlage III bij dit vonnis is de beslaglijst gevoegd, waarop alle in beslag genomen goederen staan vermeld. Het betreft zowel conservatoir beslag, als strafvorderlijk beslag.

(…)

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat alleen een grond bestaat voor verbeurdverklaring, voor zover het in beslag genomen goed door middel van of uit de baten van een strafbaar feit is verkregen, voor zover met betrekking tot het in beslag genomen goed een strafbaar feit is begaan, dan wel voor zover met behulp van het in beslag genomen goed een strafbaar feit is begaan. Dat betekent dat geen grond bestaat voor verbeurdverklaring van de in beslag genomen gegevensdragers waarvan niet is gebleken dat deze bij het plegen van de oplichtingen zijn gebruikt. Deze gegevensdragers moeten daarom worden teruggegeven aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende goederen op de lijst [van] in beslag genomen voorwerpen, die staan onder het kopje ‘verbeurd verklaren’, wel voor verbeurdverklaring in aanmerking komen, omdat met behulp hiervan de bewezen verklaarde oplichtingen zijn gepleegd. Het gaat om de volgende goederen:

MD3R019160_597740

Apple iPhone 11

MD3R019160_597763

Telefoon, Apple iPhone 7

MD3R019160_597764

Apple iPhone 6S

Verder komen voor verbeurdverklaring in aanmerking die goederen en geldbedragen waarop strafvorderlijk beslag is gelegd en waarvan aannemelijk is dat deze door middel van of uit de baten van een strafbaar feit zijn verkregen. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte deze goederen en geldbedragen heeft aangeschaft dan wel verkregen uit de opbrengst van de door hem als medepleger begane oplichtingen dan wel uit de opbrengst van zijn deelname aan de criminele organisatie. Het gaat om de volgende goederen en geldbedragen:

MD3R019160_599757

5,73357045 BTC

MD3R019160_679442

[kenteken] , Audi, A6, Avant

PL0600-00002021193521-

EUR 3.290,65

(leeg)

[a-straat 1] [plaats]

MD3R019160_597742

1 x 20, 1 x 10, 1 x 5

MD3R019160_597869

Mercedes [kenteken] Rijdbaar

MD3R019160_602308

Trui Stone Island Nieuw in verpakking à 200,-

MD3R019160_602311

Louis Vuitton-zonnebril

MD3R019160_597741

Tasje

MD3R019160_597744

Polo

MD3R019160_597745

Polo

MD3R019160_597746

Polo

MD3R019160_597747

Polo

MD3R019160_597748

Polo

MD3R019160_597749

Polo

MD3R019160_597750

Trui

MD3R019160_597751

Bodywarmer

MD3R019160_597752

Trui

MD3R019160_597753

Polo

MD3R019160_597754

Schoenen

MD3R019160_597756

8 x 50, 1 x 20, 1 x 10

MD3R019160_597757

1 x 100, 18 x 10, 4 x 5, 147 x 20, 49 x 50

MD3R019160_597758

4 x 100, 1 x 200

MD3R019160_597759

14 x 500, 1 x 50 Pakistan rupee

MD3R019160_597769

Trainingsjack

MD3R019160_597770

Hoody

MD3R019160_597771

Jack

MD3R019160_597772

Bodywarmer

MD3R019160_597773

Trainingsjack + broek

MD3R019160_597774

Jas

MD3R019160_597783

Stukjes bankbiljetten

Ook de in beslag genomen bankpas van [betrokkene 1] komt voor verbeurdverklaring in aanmerking, omdat met behulp van deze bankpas de oplichting van [benadeelde] is gepleegd. De bankpas staat op de lijst als volgt vermeld:

MD3R019160_597781

Bankpas t.n.v. [betrokkene 1]

Teruggave aan verdachte

Zoals hiervoor overwogen, komen wel voor teruggave in aanmerking die gegevensdragers waarvan niet vaststaat dat deze bij het plegen van de oplichtingen zijn gebruikt. Ook komen voor teruggave in aanmerking aankoopbewijzen, facturen en stortingsbewijzen. Ten aanzien van deze goederen bestaat niet langer een strafvorderlijk belang. Een kopie hiervan kan worden opgenomen/achterblijven in het dossier. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte van de volgende goederen:

MD3R019160_597777

ING-stortingsbewijs

MD3R019160_597743

Factuur de Bijenkorf

MD3R019160_597755

LV-bon

MD3R019160_597775

Factuur Mercure Hotel

MD3R019160_597776

Factuur Mercure Hotel t.w.v. 897,-

MD3R019160_597778

Briefje met codes

MD3R019160_597780

Diverse administratie

MD3R019160_597782

Bankpas nr. [nummer]

MD3R019160_597739

MOBIELE TELEFOON

MD3R019160_597760

Blanco pas

MD3R019160_597761

HP-desktop

MD3R019160_597762

Lenovo-laptop

MD3R019160_597765

MOBIELE TELEFOON

MD3R019160_597766

Laptop MSI

MD3R019160_597767

MOBIELE TELEFOON INCL HOES

MD3R019160_597768

Nokia

MD3R019160_597779

HP-LAPTOP

Conservatoir beslag

Voor zover op de hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, blijft dit hierop rusten. De beslissingen van de rechtbank hebben enkel betrekking op het strafvorderlijk beslag.

(…)

13. BESLISSING

De rechtbank:

(…)

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

De als bijlage III aan het vonnis gehechte beslaglijst houdt het volgende in:

VE

[klager]

Afhandelingsvoorstel OvJ

Voorwerpnummer

Omschrijving

Conservatoir beslag

MD3R019160_599757

5,73357045 BTC

MD3R019160_679442

[kenteken] , Audi, A6, Avant

PL0600-00002021193521-

EUR 3.290,65

(leeg)

[a-straat 1] [plaats]

Conservatoir beslag 9 december 2021

MD3R019160_597742

1 x 20, 1 x 10, 1 x 5

MD3R019160_597869

Mercedes [kenteken] Rijdbaar

MD3R019160_602308

Trui Stone Island Nieuw in verpakking à 200,-

MD3R019160_602311

Louis Vuitton-zonnebril

Conservatoir beslag recent

MD3R019160_597741

Tasje

MD3R019160_597744

Polo

MD3R019160_597745

Polo

MD3R019160_597746

Polo

MD3R019160_597747

Polo

MD3R019160_597748

Polo

MD3R019160_597749

Polo

MD3R019160_597750

Trui

MD3R019160_597751

Bodywarmer

MD3R019160_597752

Trui

MD3R019160_597753

Polo

MD3R019160_597754

Schoenen

MD3R019160_597756

8 x 50, 1 x 20, 1 x 10

MD3R019160_597757

1 x 100, 18 x 10, 4 x 5, 147 x 20, 49 x 50

MD3R019160_597758

4 x 100, 1 x 200

MD3R019160_597759

14 x 500, 1 x 50 Pakistan rupee

MD3R019160_597769

Trainingsjack

MD3R019160_597770

Hoody

MD3R019160_597771

Jack

MD3R019160_597772

Bodywarmer

MD3R019160_597773

Trainingsjack + broek

MD3R019160_597774

Jas

MD3R019160_597777

ING-stortingsbewijs

Dossier

MD3R019160_597743

Factuur de Bijenkorf

MD3R019160_597755

LV-bon

MD3R019160_597775

Factuur Mercure Hotel

MD3R019160_597776

Factuur Mercure Hotel t.w.v. 897,-

MD3R019160_597778

Briefje met codes

MD3R019160_597780

Diverse administratie

MD3R019160_597781

Bankpas t.n.v. [betrokkene 1]

MD3R019160_597782

Bankpas nr. [nummer]

MD3R019160_597783

Stukjes bankbiljetten

Verbeurd verklaren

MD3R019160_597739

MOBIELE TELEFOON

MD3R019160_597740

Apple iPhone

MD3R019160_597760

Blanco pas

MD3R019160_597761

HP-desktop

MD3R019160_597762

Lenovo-laptop

MD3R019160_597763

Telefoon

MD3R019160_597764

Apple iPhone 6S

MD3R019160_597765

MOBIELE TELEFOON

MD3R019160_597766

Laptop MSI

MD3R019160_597767

MOBIELE TELEFOON INCL HOES

MD3R019160_597768

Nokia

MD3R019160_597779

HP-laptop

Eindtotaal

Op 23 november 2022 is namens de klager een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van de onder hem in beslag genomen voorwerpen. Dit klaagschrift houdt in:

“In deze kwestie zijn allerlei goederen van klager in beslag genomen. Dit beslag is inmiddels conservatoir beslag geworden. Het beslag bestaat onder meer uit:

- 5,73357045 bitcoins

- eén of meer personenauto[‘s]

- contante geldbedragen

- diverse goederen

Ter terechtzitting bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bleek dat het onduidelijk was wat nu precies in beslag is genomen. Er is toen een lijst overgelegd door de officier van justitie. Echter, deze bleek niet geheel correct te zijn. Dit klaagschrift dient geacht te zijn ingediend tegen alle in beslag genomen goederen die horen bij dit parketnummer.

Klager is van oordeel dat op grond van artikel 116 Sv er geen strafvorderlijk belang meer bestaat dat voortduring van het beslag rechtvaardigt. Daarbij geldt in het bijzonder dat enige handeling vanuit het Openbaar Ministerie aangaande een ontneming uitblijft. Hiertoe is meerdere malen gecorrespondeerd met de officier van justitie. De toezeggingen hieromtrent zijn tot op heden uitgebleven, zo beschikken we nog steeds niet over enig dossier aangaande de ontneming. Bovendien is het CJIB begonnen met het invorderen van de opgelegde schadevergoedingen. Vanwege het uitblijven van enige actie in de ontneming, beschikt cliënt niet over gelden of goederen om aanzienlijke betalingen in het kader van de schadevergoedingen te doen.

(…)

REDENEN WAAROM:

Klager zich wendt tot uw raadkamer met het eerbiedige verzoek te beslissen tot teruggave van de in beslag genomen goederen aan hem en daarbij een last tot teruggave af te geven.”

Op 9 januari 2023 is een aanvang gemaakt met de behandeling van het klaagschrift in raadkamer. De behandeling van de zaak is op die raadkamerzitting aangehouden tot 17 april 2023 teneinde het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het beslag en de beslagtitels. Het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 9 januari 2023 houdt het volgende in:

“De rechter houdt de inhoud van de in deze procedure beschikbare stukken voor en vraagt de raadsman om aan te geven van welke goederen de teruggave wordt verzocht, omdat dit niet duidelijk uit het klaagschrift blijkt.

De raadsman verklaart hierop dat hij kort na de datum van het tegen klager gewezen vonnis contact heeft [gehad] met de zaaksofficieren mr. Goedegebuure en mr. Craenen van het parket Midden-Nederland. In de strafzaak is inmiddels vonnis gewezen, maar er loopt ook nog een ontnemingsvordering.

De rechtbank heeft bij vonnis een aantal in beslag genomen goederen verbeurd verklaard. Ook op goederen waarop conservatoir beslag rust. Het komt de raadsman voor dat dit niet juist is. Het klaagschrift is ingediend om duidelijkheid te verkrijgen wat er in beslag is genomen en onder welke titel (klassiek of conservatoir) dat is gebeurd.

Klager wil de goederen terug welke hij wettelijk gezien terug kan krijgen. Het is voor hem geheel onduidelijk nu. Het is aan de raadkamer nu om die duidelijkheid te verschaffen.

De rechter merkt op dat het op basis van het voorliggende klaagschrift erg lastig is om een juiste beslissing te geven. Verder merkt zij op dat goederen die bij vonnis verbeurd zijn verklaard en waarop conservatoir beslag rust, in beslag blijven in afwachting van een beslissing in de ontnemingsprocedure.

De officier van justitie merkt op dat zij niet weet wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot een ontnemingsprocedure. Zij merkt op dat de ontnemingsprocedure binnen twee jaar na het vonnis in de strafzaak moet worden aangevangen en dat die termijn nog niet is verstreken.

De raadsman merkt op dat hij kan instemmen met een aanhouding van de behandeling en voegt daaraan toe dat er veel goederen van klager in beslag zijn genomen waaronder ook geld dat hij al bezat vóór de feiten waarvoor hij is veroordeeld.

De raadsman geeft verder nog aan dat hij in de strafzaak ook al heeft gevraagd om teruggave van de goederen waarop geen strafvorderlijk belang meer rust.

De (…)rechter deelt mee dat zij op dit moment onvoldoende informatie heeft om een gedegen beslissing te kunnen nemen en dat zij behoefte heeft aan een overzicht van alle in de strafzaak tegen klager in beslag genomen goederen met daarbij bij elk goed de vermelding of sprake is van klassiek of conservatoir beslag.

De officier van justitie dient twee weken vóór de datum van de nader te bepalen terechtzitting het hierboven bedoelde overzicht aan de rechtbank en de raadsman toe te zenden, waarna de raadsman uiterlijk één week later zal aangeven van welke goederen hij de teruggave wil.

De rechter, gehoord klager, diens raadsman en de officier van justitie:

- schorst het onderzoek tot de openbare raadkamerzitting van maandag 17 april 2023 te 14.30 uur;

(…)

- bepaalt dat de officier van justitie uiterlijk 3 april 2023 een lijst zal overleggen aan de rechtbank en de raadsman, waarop is vermeld welke goederen in beslag zijn genomen en waar bij elk goed is vermeld of sprake is van klassiek of conservatoir beslag;

- bepaalt dat de raadsman uiterlijk 10 april 2023 schriftelijk zal aangeven van welke goederen, vermeld op vorenbedoelde lijst, de teruggave wordt verzocht;”

Vier dagen na de raadkamerzitting, op 13 januari 2023, heeft de officier van justitie per e-mail het overzicht van het beslag aan de raadsman gezonden en aan het dossier laten toevoegen. Daarnaast heeft de officier van justitie bij dat e-mailbericht het standpunt ingenomen dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag, omdat er reeds op het beslag is beslist dan wel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Het e-mailbericht houdt het volgende in:

“Geachte raadsman,

In uw klaagschrift ex artikel 552a Sv d.d. 23 november 2022 heeft u verzocht om teruggave van in beslag genomen goederen in de zaak van uw cliënt [klager] , waaronder de bitcoins, één of meer personenauto's en diverse geldbedragen. Van de zittingsofficier begreep ik dat de rekestenrechter de behandeling heeft aangehouden, teneinde het OM in de gelegenheid te stellen opgave te doen van het beslag en de beslagtitels, waarna u per goed kunt aangeven welke beslissing u wil. Deze opgave treft u bijgaand aan.

In haar vonnis van 23 februari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland reeds een beslissing genomen omtrent deze voorwerpen. Hiervoor verwijs ik naar het overzicht van de beslaglijst, met daarin de beslissingen van de rechtbank verwerkt, in de bijlage van deze mail. Zoals u kunt lezen zijn de goederen die u aanhaalt in uw klaagschrift door de rechtbank verbeurd verklaard.

Ik begreep van de parketsecretaris in deze zaak dat u zich op het standpunt stelt dat de rechtbank deze goederen in haar vonnis onterecht verbeurd heeft verklaard, nu er geen strafvorderlijk (klassiek) beslag op deze goederen rustte. Ten eerste wil ik u erop wijzen dat deze beslissing inmiddels onherroepelijk is geworden bij het ontbreken van een hoger beroep ingesteld door de verdediging.

Daarnaast ben ik anders dan u van mening dat er in de wet niet staat dat alleen in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard kunnen worden, laat staan dat alleen strafvorderlijk in beslag genomen voorwerpen verbeurd kunnen worden verklaard. Ik verwijs u in dit kader ook naar artikel 34 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie is derhalve dat uw klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard, dan wel dat klager niet-ontvankelijk is omdat er reeds is beslist op het beslag.”

Op 5 april 2023 heeft de raadsman van de klager – in reactie op het e-mailbericht van de officier van justitie van 13 januari 2023 – per e-mail het klaagschrift aangevuld en gewijzigd. Dat e-mailbericht houdt onder meer in:

“In opgemelde kwestie is de officier van justitie van mening dat de goederen verbeurd verklaard zijn, hetgeen ook in het vonnis staat vermeld. Echter, het aparte in dit vonnis is dat tijdens de zitting door de officier van justitie wordt aangegeven dat het beslag moet worden gehandhaafd voor zover dit is gelegd op conservatoire titel.

Uiteindelijk heeft de rechtbank een aantal goederen verbeurd verklaard zoals opgenomen op pagina 25 van het vonnis. Op pagina 26 geeft men aan: 'voor zover op de hiervoor genoemde goederen ook conservatoir beslag rust, blijft het hierop rusten’. Dit lijkt ook logisch te zijn gezien de standpunten van het Openbaar Ministerie en gezien het feit dat er nog een ontneming gevorderd dient te worden. Zoals ik het vonnis uitleg, geldt de verbeurdverklaring enkel en alleen voor goederen waarop dus geen conservatoir beslag rust. De verdediging stelt zich op het standpunt dat we teruggave verzoeken van alle goederen waarop conservatoir beslag rust. Dit is conform de lijst zoals door de officier van justitie aangegeven en zoals door de rechtbank gebruikt.”

Op 13 april 2023 zijn de griffier van de raadkamer en de raadsman per e-mail namens de officier van justitie als volgt bericht:

Uit de reactie die de raadsman op 5 april jl. zond, maak ik op dat de verdediging zich thans niet meer beroept op de wettelijke onmogelijkheid van de beslissing tot verbeurdverklaring. In plaats daarvan wordt nu betoogd dat [de] rechtbank enkel heeft bedoeld de goederen verbeurd te verklaren waarop geen conservatoir beslag rustte. De raadsman verwijst hierbij naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen op p. 26 van het vonnis. Dit behelst echter louter de mededeling dat de beslissingen van de rechtbank het conservatoire beslag onverlet laten. De gemotiveerde beslissing tot verbeurdverklaring op p. 24-25, zoals herhaald in het dictum op p. 39-40 is ondubbelzinnig. De verdediging heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om deze beslissing in hoger beroep aan te vechten.

Gelet op het bovenstaande meent het Openbaar Ministerie dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er reeds onherroepelijk over het beslag is beslist. Precies deze casus (klaagschrift na onherroepelijke verbeurdverklaring) deed zich voor in ECLI:NL:HR:2007:AZ3560, leidend tot niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift.

Een andere grond voor niet-ontvankelijkverklaring is gelegen in het feit dat het klaagschrift is ingediend buiten de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na het einde van de vervolgde zaak (art. 552a lid 3 Sv). Het vonnis is immers onherroepelijk geworden op 10 maart 2022 (15 dagen na datum vonnis op tegenspraak), terwijl het klaagschrift dateert van 23 november 2022.

Op 17 april 2023 heeft de raadkamer de behandeling van de zaak op voorhand aangehouden tot 30 mei 2023 nadat de raadkamer van de raadsman van de klager per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft gekregen waarin wordt aangegeven dat de raadsman vanwege ziekte niet in staat is de klager bij te staan en evenmin een kantoorgenoot beschikbaar is om de raadkamerzitting waar te nemen.

Op 30 mei 2023 is de behandeling van het klaagschrift in raadkamer hervat. In het proces-verbaal van die raadkamerzitting is het volgende te lezen:

“De officier van justitie merkt op, zakelijk weergegeven:

Ik verzoek u klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klaagschrift. Ter onderbouwing hiervan verwijs ik naar de inhoud van het OM-advies dat op 13 april 2023 per mail aan de rechtbank en de raadsman is verstuurd. In het kort komt het erop neer dat het klaagschrift te laat is ingediend, namelijk pas op 23 november 2022, en dat is niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis in de strafzaak. Dit vonnis is immers op 23 februari 2022 gewezen en op 10 maart 2022 onherroepelijk geworden. Bovendien is er in dit vonnis door de rechtbank al een onherroepelijke beslissing tot verbeurdverklaring genomen over de goederen waar het klaagschrift op ziet.

De raadsvrouw merkt op, zakelijk weergegeven:

Door het vonnis van de rechtbank van 23 februari 2022 is bij klager verwarring ontstaan. In het dictum wordt een aantal goederen verbeurd verklaard waarop conservatoir beslag is gelegd, terwijl elders in het vonnis staat dat de beslissing van de rechtbank alleen betrekking heeft op strafvorderlijk beslag, en dat het conservatoir beslag onaangetast blijft. Volgens onze interpretatie van dit vonnis heeft de rechtbank de goederen waarop klassiek beslag is gelegd verbeurd verklaard, en de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd niet. Het Openbaar Ministerie is dit blijkbaar ook van mening, want er loopt nog een ontnemingsvordering tegen klager, terwijl dit geen zin meer zou hebben wanneer de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd al verbeurd zijn verklaard.

Primair verzoek ik u daarom teruggave van de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd, zoals de woning, de auto’s, het geld en de bitcoins.

Subsidiair verzoek ik u de zittingscombinatie die op 23 februari 2022 vonnis heeft gewezen een herstelvonnis te laten opmaken, waarin zij uitleggen wat zij met hun vonnis bedoelen. U vraagt mij of het klaagschrift ook betrekking heeft op goederen waarover de rechtbank in haar vonnis van 23 februari 2022 geen beslissing heeft genomen. Nee.”

De rechtbank heeft de klager niet-ontvankelijk verklaard in het beklag. De beschikking houdt hierover het volgende in:

“Procesgang

(…)

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken:

1. onder klager is op de voet van artikel 94a [Sv] beslag gelegd op:

- BTC 5,73357045

- [kenteken] , Audi, A6, Avant

- EUR 3.290,65

- [a-straat 1] [plaats]

- 1 x 20, 1 x 10,1 x 5 [AG: ik begrijp: eurobiljetten]

- Mercedes [kenteken] , rijdbaar

- trui, Stone Island, nieuw in verpakking a € 200,-

- zonnebril, Louis Vuitton

- tasje

- polo (7x)

- trui (2x)

- bodywarmer (2x)

- schoenen

- 8 x 50, 1 x 20,1 x 10 [AG: ik begrijp: eurobiljetten]

- 1 x 100, 18 x 10, 4 x 5, 147 x 20, 49 x 50 [AG: ik begrijp: eurobiljetten]

- 4 x 100, 1 x 200 [AG: ik begrijp: eurobiljetten]

- 14 x 500 [AG: ik begrijp: eurobiljetten], 1 x 50 Pakistan rupee

- trainingsjack

- hoody

- jack

- traningsjack + broek

- jas;

2. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van deze in beslag genomen goederen;

3. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager als verdachte onder parketnummer 16/133123-20;

4. deze in beslag genomen goederen zijn door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 23 februari 2022 in de strafzaak met parketnummer 16/133123-20 verbeurd verklaard. Dit vonnis is op 10 maart 2022 onherroepelijk geworden.

Beoordeling

De strafzaak waarbinnen het beslag is gelegd is op 10 maart 2022 tot een einde gekomen door het onherroepelijk worden van het vonnis in deze strafzaak. Het klaagschrift is pas op 23 november 2022 ingediend, en dus niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak.

Verder is in het onherroepelijk geworden vonnis in deze strafzaak al een beslissing genomen over de hierboven genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten verbeurdverklaring. Gelet hierop heeft klager geen belang meer bij de behandeling van het klaagschrift.

Klager zal om bovengenoemde redenen niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift.

Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.”

3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

Art. 353 lid 1 Sv luidt:

“In het geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging neemt de rechtbank een beslissing over de met toepassing van artikel 94 in beslag genomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Deze beslissing laat ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet.”

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de omstandigheid dat in de strafzaak tegen de klager een beslissing over het beslag is genomen met zich dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep tegen de beschikking waarbij zijn klaagschrift ongegrond is verklaard. De beschikking behelst immers naar zijn aard een voorlopige beslissing in afwachting van het oordeel van de strafrechter over het beslag. Door de uitspraak van de strafrechter over het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

De rechtbank heeft in de onderliggende strafzaak tegen de klager een beslissing gegeven over voorwerpen die (mede) op grond van art. 94a Sv in beslag zijn genomen. De rechtbank heeft in de strafzaak dus geen beslissing genomen als bedoeld in art. 353 Sv, omdat die bepaling alleen betrekking heeft op voorwerpen die op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen. Dat betekent dat niet kan worden gezegd dat in de bestreden beschikking – die betrekking heeft op een klaagschrift dat ziet op beslag als bedoeld in art. 94a Sv – een beslissing is gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande en dat door de beslissing van de strafrechter op het beslag geen (andersluidende) beslissing meer kan volgen. De onder randnr. 3.2 besproken rechtspraak van de Hoge Raad is in dit geval niet van toepassing. De klager is dus in zoverre ontvankelijk in het cassatieberoep.

4. Het middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift en valt uiteen in twee deelklachten. In de eerste deelklacht wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte, althans ontoereikend dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag, op de grond dat hij zijn klaagschrift niet binnen de in art. 552a lid 3 Sv genoemde termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak tegen hem heeft ingediend. In de tweede deelklacht wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag ten grondslag heeft gelegd dat in de strafzaak tegen de klager over de in beslag genomen goederen is beslist nu de rechtbank in de strafzaak heeft overwogen dat haar beslissingen enkel betrekking hebben op het strafvorderlijk beslag en dat voor zover op de voorwerpen conservatoir beslag rust, dat daarop blijft rusten.

De eerste deelklacht

Art. 552a lid 3 Sv luidt:

“Het klaagschrift (…) wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (…) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift (…) is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.”

Uit art. 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van art. 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Indien het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv in een zaak waarin verscheidene personen als verdachten zijn aangemerkt, is aan de vervolgde zaak pas een einde gekomen als de vervolgingen van alle verdachten tot een einde zijn gekomen. De rechter is in dat geval gehouden vast te stellen of de tegen hen ingestelde vervolgingen, waaronder ook – als het beslag op grond van artikel 94 Sv betrekking heeft op het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel – moet worden begrepen de behandeling van de tegen hen ingestelde ontnemingsvorderingen, tot een einde zijn gekomen. Als een voorwerp op grond van art. 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is echter voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene(n) ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of – als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel – de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. Zolang een (aangekondigde) ontnemingsprocedure nog niet is voltooid, is de vervolging niet geëindigd. Daaraan doet niet af dat de ontnemingsvordering ten tijde van het indienen van het klaagschrift nog niet aanhangig was gemaakt.

Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank vastgesteld dat op 10 maart 2022 het vonnis in de strafzaak tegen de klager onherroepelijk is geworden, zodat op die datum de strafzaak tot een einde is gekomen. Nu het klaagschrift is ingediend op 23 november 2022 is volgens de rechtbank sprake van een buiten de wettelijke termijn van drie maanden na het einde van de strafzaak ingediend klaagschrift, zodat de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag.

Het oordeel van de rechtbank dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend, is ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het beslag op de voorwerpen waarvan teruggave is verzocht op grond van art. 94a Sv is gelegd en dat uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat tegen de klager een ontnemingsprocedure is aangekondigd, terwijl de rechtbank niet heeft vastgesteld of die (aangekondigde) ontnemingsprocedure tot een einde is gekomen.

De eerste deelklacht is terecht voorgesteld.

De tweede deelklacht

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat als bij onherroepelijke beslissing van de rechter in de strafzaak tegen de klager in beslag genomen voorwerpen zijn verbeurd verklaard, die beslagbeslissing haar kracht alleen kan verliezen door een daartegen ingesteld beroep. Die beslissing kan dus niet ongedaan worden gemaakt door een beslissing op een ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv en aan een (eerdere) beslissing van de beklagrechter die de door de strafrechter uitgesproken verbeurdverklaring zou doorkruisen kan geen uitvoering (meer) worden gegeven.

Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is het niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo'n geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurd verklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt.

Uit het in de strafzaak tegen de klager gewezen, onherroepelijk geworden vonnis van 23 februari 2022 en de daaraan als bijlage III gehechte beslaglijst blijkt dat de in beslag genomen voorwerpen zijn verbeurd verklaard voor zover die niet zijn teruggegeven aan de klager. Uit het vonnis kan voorts worden afgeleid dat op de voorwerpen (mogelijk) ook conservatoir beslag rust en dat de beslissing tot teruggave van een deel van die voorwerpen enkel ertoe strekt het strafvorderlijk beslag daarop op te heffen. Uit de (overige) gedingstukken, in het bijzonder de bestreden beschikking, blijkt het tegendeel niet. Evenmin blijkt daaruit dat het (mogelijke) conservatoir beslag op de voorwerpen waarvan de teruggave is gelast in de strafzaak tegen de klager ten tijde van de behandeling van het beklag door de raadkamer was geëindigd. Gelet hierop meen ik dat de raadkamer de klager had behoren te ontvangen in het beklag voor zover dat strekt tot opheffing van het conservatoir beslag op de voorwerpen waarvan de teruggave is gelast. Daarbij neem ik in aanmerking dat die teruggave in het onderhavige geval niet een beslissing is als bedoeld in art. 353 Sv, zodat niet kan worden gezegd dat daardoor geen (andersluidende) beslissing meer kan volgen op het conservatoir beslag (zie randnrs. 3.1-3.3). Blijkens de bestreden beschikking heeft de raadkamer echter ten onrechte de beoordeling van (de ontvankelijkheid van) het beklag beperkt tot de in de strafzaak tegen de klager verbeurd verklaarde voorwerpen. In zoverre slaagt de tweede deelklacht.

Het voorgaande geldt echter niet voor de voorwerpen die zijn verbeurd verklaard. Gelet op hetgeen onder randnr. 4.7 is vooropgesteld, is vanwege de onherroepelijke beslissing tot verbeurdverklaring immers geen plaats meer voor teruggave aan de klager van de verbeurd verklaarde voorwerpen. Derhalve heeft de raadkamer terecht overwogen dat de klager geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn klaagschrift, omdat de strafrechter reeds bij onherroepelijke beslissing de verbeurdverklaring heeft uitgesproken van de in de bestreden beschikking genoemde voorwerpen. Daaraan doet niet af dat in het vonnis door de rechtbank is overwogen dat “voor zover op de hiervoor genoemde voorwerpen ook conservatoir beslag rust, (…) dit hierop [blijft] rusten” en dat “de beslissingen van de rechtbank (…) enkel betrekking [hebben] op het strafvorderlijk beslag.” Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat namelijk niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurd verklaard. In zoverre faalt de tweede deelklacht. Dit brengt met zich dat de klager (eveneens) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen de beslissing van de rechtbank op het beklag betreffende de verbeurd verklaarde voorwerpen.

5. Slotsom

De eerste deelklacht slaagt. De tweede deelklacht slaagt deels.

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

Deze conclusie strekt tot

- vernietiging van de bestreden beschikking, maar uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de onder de klager in beslag genomen voorwerpen waarvan de rechtbank in de strafzaak tegen de klager teruggave heeft gelast;

- terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan;

- niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het cassatieberoep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?