HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00145
Datum 14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 9 februari 2005, nummer 23-001120-04, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in zijn uitspraak niet de gebruikte bewijsmiddelen heeft opgenomen.
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een “extract-arrest” van het hof dat niet de bewijsmiddelen bevat.
De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van het arrest van het hof met (een aanvulling op het arrest met) bewijsmiddelen. Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat zo’n stuk niet is opgemaakt.
Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen. Het “extract-arrest” van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2026.