HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 26/00083
Datum 17 juli 2026
PREJUDICIËLE BESLISSING
In de zaak van
VERDER BEWIND ZUID B.V.,
gevestigd te Brunssum,
VERZOEKSTER in eerste aanleg,
hierna: Verder Bewind,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
tegen
[de rechthebbende],
wonende te [woonplaats],
BELANGHEBBENDE,
hierna: de rechthebbende,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.
1. De prejudiciële procedure
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak met nummer NL:TZ:0000226874:B001 van de rechtbank Limburg van 14 november 2025 en 13 januari 2026.
Bij laatstgenoemde beschikking heeft de kantonrechter op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:
A. Heeft een beschermingsbewindvoerder altijd recht op de verhuisvergoeding genoemd in art. 3 lid 5 onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren als rechthebbende verhuist en er geen mentor is, of moet de bewindvoerder in aanvulling op de standaardwerkzaamheden (die de bewindvoerder altijd heeft als een cliënt verhuist) aanvullende werkzaamheden verrichten die normaliter door rechthebbende of diens mentor (of een andere persoon) zouden worden verricht (en hierbij aanvoeren dat rechthebbende hiertoe zelf niet in staat is)?
B. Indien dat eerste (altijd recht op...): kan de bewindvoerder volstaan met de mededeling dat er geen mentor is en bewijs dat rechthebbende is verhuisd, of moet de bewindvoerder meer aanvoeren, en zo ja, wat?
C. Indien dat eerste (altijd recht op...): kunnen bewindvoerders de vergoeding met terugwerkende kracht aanvragen, met inachtneming van de verjaringstermijn van vijf jaar, of moet een andere termijn worden gehanteerd (bijvoorbeeld de einddatum van de laatste rekening en verantwoording)?
Het standpunt van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt ertoe dat de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vragen nog niet in behandeling neemt, maar de zaak eerst terugwijst naar de kantonrechter teneinde de rechthebbende als belanghebbende op te roepen en hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen en over de inhoud van de te stellen vragen.
2. Uitgangspunten en feiten
Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende:
(i) De kantonrechter heeft op de voet van art. 1:431 BW bewind ingesteld over één of meer van de goederen van de rechthebbende. Verder Bewind is benoemd tot bewindvoerder.
(ii) Verder Bewind heeft de kantonrechter verzocht een extra beloning toe te kennen voor werkzaamheden in verband met de verhuizing van de rechthebbende.
Uit art. 1:447 lid 1 BW volgt dat de bewindvoerder aanspraak heeft op beloning zoals uitgewerkt in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling beloning). Art. 3 lid 5 van de Regeling beloning luidt:
“Artikel 3
(…)
5. Naast de jaarbeloning kent de kantonrechter in voorkomende gevallen de volgende beloningen toe:
a. voor aanvangswerkzaamheden € 767, of € 574 indien de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind budgetbeheer heeft gevoerd;
b. voor de verkoop of ontruiming van een woning, of in geval er geen mentor is, een verhuizing € 478;
c. voor het beheren van een persoonsgebonden budget € 718;
d. voor het opmaken van een eindrekening en -verantwoording € 288.”
3. Beoordeling of de prejudiciële vragen thans in behandeling kunnen worden genomen
Voorafgaand aan het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad, stelt de rechter partijen in de gelegenheid zich uit te laten over het voornemen om een vraag te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vraag (art. 392 lid 2 Rv).
Op grond van de gedingstukken moet worden aangenomen dat de kantonrechter de rechthebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het voornemen in de tussenbeschikking van 14 november 2025 om prejudiciële vragen te stellen, en over de inhoud van de te stellen vragen.
De kantonrechter had die gelegenheid wel aan de rechthebbende moeten bieden, omdat de rechthebbende bij het verzoek van de bewindvoerder belanghebbende is in de zin van art. 798 Rv. De eerste volzin van art. 798 lid 1 Rv houdt in dat onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. De beloning van de bewindvoerder, waaronder de in art. 3 lid 5 Regeling beloning genoemde beloningen, moet door de rechthebbende worden betaald. Dat betekent dat de rechthebbende door de beslissing op het verzoek van de bewindvoerder rechtstreeks in zijn rechten en verplichtingen wordt geraakt.
De Hoge Raad zal de zaak aanhouden opdat de kantonrechter de rechthebbende alsnog in de gelegenheid kan stellen zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen, en over de inhoud van de te stellen vragen.
Opmerking verdient het volgende. In de zaak 25/04267, waarin de Hoge Raad vandaag ook uitspraak doet, is de kwestie waarop de prejudiciële vragen A en B betrekking hebben ook aan de orde.
4. Beslissing
De Hoge Raad houdt de zaak aan, opdat de kantonrechter de rechthebbende alsnog in de gelegenheid kan stellen zich uit te laten zoals hiervoor in 3.1.3 bedoeld.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 17 juli 2026.