ECLI:NL:HR:2026:1360

ECLI:NL:HR:2026:1360

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 24-08-2026
Zaaknummer 24/00324
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2026:517
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2024:260

Samenvatting

Anders dan t.b.v. zakelijke berichtgeving ter verspreiding in voorraad hebben van zelfgemaakte afgietsels van gegipste replica‘s met daarop afbeelding van adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis, art. 137e.1.2 Sr. Beroep op HR:1987:AC9968. Kon hof oordelen dat aan bewezenverklaring van het in art. 137e.1.2 Sr bedoelde strafbare feit, niet in de weg staat dat verdachte de voorwerpen uitsluitend in voorraad had om die te verspreiden onder verzamelaars? Uit bewijsvoering van hof volgt dat bij verdachte gipsen afgietsels zijn aangetroffen van adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis. Hof heeft overwogen dat uit verklaring van verdachte over deze gipsafdrukken, die inhoudt dat hij deze afdrukken heeft gemaakt voor verzamelaars die ernaar vragen en dat hij 2 van 14 afdrukken heeft verkocht, volgt dat verdachte gipsafdrukken ter verspreiding in voorraad heeft gehad en dat hij wist dat uitlating die is vervat in voorwerp (adelaar met hakenkruis) beledigend kan zijn en kan aanzetten tot haat of discriminatie van Joodse mensen. Hof heeft verder overwogen dat gipsafdrukken niet kunnen worden beschouwd als militaire curiosa. Hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat verdachte, anders dan t.b.v. zakelijke berichtgeving, voorwerpen ter verspreiding in voorraad heeft gehad, waarbij in die voorwerpen uitlating was vervat die, naar verdachte wist, voor groep mensen wegens hun ras beledigend was of aanzette tot haat tegen en/of discriminatie van mensen en/of gewelddadig optreden tegen mensen. Aan dit oordeel staat niet in de weg dat door verdachte is verklaard dat hij gipsafdrukken uitsluitend in voorraad had om die te verspreiden onder verzamelaars. Uit HR:1987:AC9968, dat is gewezen toen (inmiddels vervallen) art. 430 Sv cassatie tegen vrijspraak alleen mogelijk maakte als hof grondslag van tll. had verlaten en van iets anders had vrijgesproken dan was tlgd., volgt slechts dat niet uitgesloten is dat bij oordeel of sprake is van voorwerp waarin de in art. 137e.1 Sr bedoelde ‘uitlating’ is vervat, wordt betrokken dat het gaat om voorwerp dat kan worden gezien als ‘militair curiosum’. Daarmee wordt bedoeld: oorspronkelijk voorwerp dat binnen context van bepaalde verzameling van historische voorwerpen specifieke betekenis heeft. In dit geval heeft hof echter niet onbegrijpelijk vastgesteld dat aangetroffen, nieuw vervaardigde, gipsafdrukken niet dergelijke curiosa betreffen. Beroep op genoemd arrest stuit al daarop af. Volgt verwerping.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/00324

Datum 25 augustus 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 januari 2024, nummer 20-000360-23, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte.

1. Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van 't Hullenaar bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat aan de bewezenverklaring van, kort gezegd, het in artikel 137e lid 1, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde strafbare feit, niet in de weg staat dat de verdachte de gegipste replica’s afkomstig uit een gipsmal met daarop een afbeelding van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis, uitsluitend in voorraad had om die te verspreiden onder verzamelaars.

Het hof heeft het vonnis van de politierechter gedeeltelijk bevestigd met aanvulling en verbetering van gronden. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:

“op 25 augustus 2020 te [plaats] , anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, voorwerpen, te weten een hoeveelheid gegipste replica’s afkomstig uit een gipsmal met daarop een afbeelding van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis, waarin een uitlating was vervat, die, naar hij wist, voor een groep mensen, te weten de Joden, wegens hun ras (waaronder mede begrepen afkomst en nationale of etnische afstamming), beledigend was of aanzet(te) tot haat tegen en/of discriminatie (in de zin van artikel 90quater Wetboek van Strafrecht) van mensen, en/of gewelddadig optreden tegen mensen, te weten de Joden, ter verspreiding in voorraad heeft gehad.”

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

“- Proces-verbaal van bevindingen (blz. 3), voor zover inhoudende:

Op dinsdag 25 augustus 2020, omstreeks 09.00, uur was ik verbalisant gekleed in uniform en ondersteunend aan een integrale controle georganiseerd door de gemeente [...] (...) in de loodsen gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] . (...) Op genoemde dag datum en tijdstip ben ik verbalisant in mijn hoedanigheid uitgekomen in de loods welke gehuurd wordt door de onderaan dit proces-verbaal genoemde betrokkene [verdachte] . De loods van [verdachte] was gelegen op het perceel [a-straat 1] te [plaats] . (...) Ik verbalisant zag dat deze loods vol met gebruiksgoederen lag. Ik hoorde dat [verdachte] mij vertelde dat hij grote partij goederen opkoopt en deze weer probeert te verkopen. Desgevraagd werd door [verdachte] ruimte voor ruimte getoond. Zo ook de ruimte boven zijn kantoor. Ik verbalisant zag dat in dit kantoor een 12 tal gipsen afgietsels lagen van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis. Ik verbalisant heb aan [verdachte] gevraagd hoe hij deze maakt. [verdachte] toonde mij verbalisant een soort rubberen mal waarmee hij deze afgietsels kon maken. [verdachte] vertelde mij verbalisant dat de Tweede Wereldoorlog hem interesseerde en hij verzamelaar was. Ik verbalisant werd door [verdachte] meegenomen naar een afgesloten ruimte. Ik zag dat [verdachte] in deze ruimte een soort klein museum had gemaakt met allerlei voorwerpen die met de Tweede Wereldoorlog te maken hadden. Ik verbalisant vroeg aan [verdachte] waarom hij zoveel van de afgietsels van de “Adelaar” had. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij deze voor 75 euro verkocht aan liefhebbers.

- Proces-verbaal van bevindingen p. 9; voor zover inhoudende:

Op dinsdag 29 september 2020 heb ik verbalisant de in beslag genomen telefoon van de onderaan dit proces-verbaal genoemde betrokkene [verdachte] bekeken op relevante berichten(...). Ik verbalisant zag wel dat er in één whatsapp gesprek gesproken wordt over de verkoop van de “adelaars”.

- Verklaring van verdachte, p. 17, voor zover inhoudende:

V: U heeft mij 25 augustus verteld dat u ze verkoopt?

A: Dat klopt, vanuit verzamelaars die bij mij thuis zijn geweest en daar de mal hebben gezien, hebben mij gevraagd of ik deze wil verkopen. Ik doe dit niet. Daarom hebben ze mij gevraagd of ik een afgietsel wil maken. (...) Ik heb er daarom een paar gemaakt. Puur voor verzamelaars die er naar vragen. (...) Ik heb er 14 gegipst. 2 heb ik er weggedaan.

V: Hoeveel heeft u er al verkocht?

A: Twee stuks

Het proces-verbaal van bevindingen, PL2100-202045611-11, d.d. 30 april 2021, met bijlagen, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende:

Op verzoek van justitie heb ik nader onderzoek gedaan naar de telefoon van verdachte [verdachte] . Mij werd verzocht te kijken naar de telefoonnummers van de kopers van de afgietsels van de “Adelaars”.

Ik ben tijdens mijn zoektocht op een gesprek gestuit tussen ene “ [betrokkene 1] ” en [verdachte] . In dit gesprek wordt aan [verdachte] gevraagd of hij afgietsels verkoopt waarna [verdachte] aangeeft er enkele op voorraad te hebben en deze voor 150,00 euro verkoopt. Uiteindelijk blijkt uit het appgesprek dat de koop niet doorgaat daar koper de prijs te hoog vindt.

Bijlage Proces verbaal nummer PL2100-202045611-11 -- 10

[betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: oké wat vraag je er voor

[verdachte] d.d. 17-05-2020: 150

[betrokkene 1] d.d. 17-05-2020: is toch n gips afdruk?

[verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb ‘m met extra harde gips gemaakt met versteviging erin

Bijlage Proces verbaal nummer PL2100-202045611-11 -- 12

[betrokkene 1] d.d. 10-03-2020: Hey [verdachte] verkoop je ook de sampels van de eagel?

[verdachte] d.d. 17-05-2020: Hey [betrokkene 1] , ik zie nu je bericht pas, stond in m’n spam

[verdachte] d.d. 17-05-2020: ja heb er wel enkele voor de verkoop

De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2024, voor zover inhoudende:

Ik heb 14 afgietsels gemaakt met de mal en daarvan heb ik er twee verkocht.

U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het dossier volgt dat [getuige 1] heeft verklaard dat hij € 75,00 voor een afgietsel heeft betaald, dat [getuige 2] heeft verklaard dat hij € 50,00 voor een afgietsel heeft betaald en dat ik tegen [betrokkene 1] in een chat heb gezegd dat hij € 150,00 voor een afgietsel zou moeten betalen. Ik antwoord u dat dat kan kloppen.”

In het door het hof bevestigde vonnis is over de bewezenverklaring verder overwogen:

“Ten aanzien van de gipsafdrukken is de politierechter van oordeel dat uit de verklaring van verdachte daaromtrent, te weten dat hij deze heeft gemaakt voor verzamelaars die ernaar vragen en dat hij twee van de veertien afdrukken heeft verkocht, volgt dat hij de gipsafdrukken ter verspreiding in voorraad heeft gehad. Ook volgt uit zijn verklaring ter terechtzitting dat hij wist dat de uitlating (de adelaar met het hakenkruis) beledigend kan zijn, kan aanzetten tot haat of discriminatie, van Joodse mensen. Deze wetenschap weerhield verdachte ervan om de gipsafdrukken openbaar te maken, aldus verdachte. Dit doet er echter niet aan af dat hij de gipsafdrukken in voorraad had, met het doel om ze te verspreiden (onder verzamelaars). Nu deze gipsafdrukken, anders dan (wellicht) de mal, niet beschouwd kunnen worden als militaire curiosa, is naar het oordeel van de politierechter sprake van voorwerpen als bedoeld in artikel 137e Sr. Gelet op het voorgaande kan het tenlastegelegde, voor zover het de gipsen replica’s betreft, wettig en overtuigend worden bewezen.”

Artikel 137e lid 1 Sr, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde en dat op het punt dat hier aan de orde is, niet verschilt van de nu geldende tekst, luidt:

“1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1°. een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap;

2°. een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”

Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat bij de verdachte gipsen afgietsels zijn aangetroffen van een adelaar met in zijn klauwen een hakenkruis. Het hof heeft overwogen dat uit de verklaring van de verdachte over deze gipsafdrukken, die inhoudt dat hij deze afdrukken heeft gemaakt voor verzamelaars die ernaar vragen en dat hij twee van de veertien afdrukken heeft verkocht, volgt dat de verdachte de gipsafdrukken ter verspreiding in voorraad heeft gehad en dat hij wist dat de uitlating die is vervat in het voorwerp (de adelaar met hakenkruis) beledigend kan zijn en kan aanzetten tot haat of discriminatie van Joodse mensen. Het hof heeft verder overwogen dat de gipsafdrukken niet kunnen worden beschouwd als militaire curiosa. Het hof heeft hierop zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, voorwerpen ter verspreiding in voorraad heeft gehad, waarbij in die voorwerpen een uitlating was vervat die, naar de verdachte wist, voor een groep mensen wegens hun ras beledigend was of aanzette tot haat tegen en/of discriminatie van mensen en/of gewelddadig optreden tegen mensen.

Anders dan in het cassatiemiddel, onder verwijzing naar (in het bijzonder) het arrest van de Hoge Raad van 22 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9968, wordt betoogd, staat aan dit oordeel van het hof niet in de weg dat door de verdachte is verklaard dat hij de gipsafdrukken uitsluitend in voorraad had om die te verspreiden onder verzamelaars. Dat arrest is gewezen toen het – inmiddels vervallen – artikel 430 van het Wetboek van Strafvordering cassatie tegen een vrijspraak alleen mogelijk maakte als het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten en van iets anders had vrijgesproken dan was tenlastegelegd. Uit dat arrest van de Hoge Raad volgt slechts dat het niet uitgesloten is dat bij het oordeel of sprake is van een voorwerp waarin de in artikel 137e lid 1 Sr bedoelde ‘uitlating’ is vervat, wordt betrokken dat het gaat om een voorwerp dat kan worden gezien als ‘militair curiosum’. Daarmee wordt bedoeld: een oorspronkelijk voorwerp dat binnen de context van een bepaalde verzameling van historische voorwerpen een specifieke betekenis heeft. In dit geval heeft het hof echter niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de aangetroffen, nieuw vervaardigde, gipsafdrukken niet dergelijke curiosa betreffen. Het beroep op het genoemde arrest stuit al daarop af.

Het cassatiemiddel faalt in zoverre.

3. Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 1.000 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand